EEN LIED VOOR ELK SEIZOEN DE CARMINA BURANA IN BEELD - DEEL I A SONG FOR EACH SEASON PICTURING THE CARMINA BURANA (with a summary in English)
10
100 De Duitse verzameling begint bijna aan het einde van katern fol. 50-56, op fol. 56r en vult de katernen fol. 57-64 en fol. 65-72 volledig. Aan he
101 De relatie tussen de afbeeldingen en de tekstgroepen De Codex Buranus wordt gedecoreerd door acht miniaturen, die als illustraties tussen de teks
103 HOOFDSTUK DRIE-1 DE AFDELING MET MOREEL-SATIRISCHE TEKSTEN - FORTUNA EN DIDO Binnen de eerste afdeling, met gedichten van morele en tijdkritisc
104 In een latere fase van het schrijfproces zijn door h2 nog twee Fortuna-gedichten toegevoegd, in de ondermarge van respectievelijk fol. 48v en fol
105 plaatsen, heeft de tekenaar de bovenmarge grotendeels benut (die oorspronkelijk groter was), en voor de ongelukkige die onder het rad wordt geple
106 De oorspronkelijke Fortuna-groep: CB 14 en 15, Versus CB 18 CB 14: O varium Fortune lubricum O veranderlijke bedrieglijkheid van Fortuna! In
107 humiliabitur cras misere. Wat baatte het Darius dat hij koning was? Wat heeft Rome Pompeius gebracht? Beiden kwamen door het zwaard om. Het is v
108 IV.Quos vult sors ditat et quos vult sub pede tritat Het lot maakt rijk wie hij wil en vertrapt onder zijn voeten wie hij wil Aan de laatste sp
109 Op Fortuna’s troon zat ik hoog verheven, gekroond met de bonte bloemen van de voorspoed. Hoezeer ik ook bloeide in geluk en zegen, nu ben ik v
11 HOOFDSTUK EEN STATUS QUAESTIONIS - STAND VAN HET ONDERZOEK Tot de kostbaarste schatten van de Bayerische Staatsbibliothek in München behoort een
110 onderlinge afhankelijkheid aan te nemen is. De afbeelding is geen rechtstreekse illustratie van de liedtekst en de strofe is geen direct ‘bijschr
111 een allegorie geworden van het aardse bestaan, het menselijke streven naar geluk en najagen van fortuin. Relatie tussen teksten en afbeelding E
112 Overlevering en herkomst De twee liederen CB 14 en CB 15 zijn elk in vijf handschriften overgeleverd. Daaronder bevinden zich meerdere boeken met
113 Relatie met andere delen van de verzameling Fortuna en de wereld: CB 24 Lehtonen wees op de formele relatie tussen de Fortuna-klacht CB 17 en he
114 In tal van middeleeuwse Troje-gedichten speelt Hecuba een rol, zoals in het het lange metrische gedicht CB 101, een verhalende klacht over de val
115 et in altis sedibus sedere laureatum Zolang Fortuna wilde dat ik gelukkig leefde, maakte zij mij welbemind om mijn voorkomen (en) goede maniere
116 geen hemd meer aan zijn lijf heeft: nunc per ludum dorsum nudum fero tui sceleris. Ook de oproep tot de metgezellen om samen met de onfortuinlijk
117 3aNunc clamat: O Fortuna quid fecisti pessima Vestitum cito nudasti et divitem egeno coequasti Nu roept hij uit: O Fortuna, jij kwaadaardige, wat
118 De liefdesklacht van Dido: Eia dolor! De Dido-miniatuur (afb. 2) is geplaatst op fol. 77v bovenaan en beslaat ongeveer drie-vijfde deel van de
119 Inhoudelijke samenhang De dubbel-afbeelding illustreert in meerdere scènes een episode uit de Aeneis van Vergilius: het slot van boek 4 met de li
12 die baierischen Abteyen’. Zijn zesde brief, gedateerd 15 april 1803, beschrijft zijn vondsten in Benediktbeuern. In deze abdij trof Von Aretin een
120 verliefde Dido zelf belichaamt hier de overgang van liefdesgeluk naar liefdesleed, van liefdesjubel naar liefdesklacht. De liederen verschillen
121 standpunt weergeven.262 Het eerste deel beschrijft Dido’s liefde voor Eneas als overmatig en voert haar dood op als voorbeeld van onbeteugelde ov
122 Dan volgt een verhalende strofe: de nobele Dido wordt versmaad en verlaten ten gunste van het door de goden gewenste huwelijk van Eneas met Lav
123 Eenzelfde rechtvaardiging van Dido spreekt uit een enkele regel in liefdeslied CB 59, met als thema ‘het gerechtshof van Venus’, waar Dido vanweg
124 Troyes, bijvoorbeeld in Cligès 4482: Ha dolante! Sayce opperde dat de uitroep misschien verwijst naar een Franse versie van het verhaal of lied.2
125 Anna, zie je, wat de trouw van een trouweloze bedrieger voorstelt? Onder vals voorwendsel heeft hij mij verlaten en ontvlucht hij het Punische ri
126 weer met Eneas herenigd te worden, in de onderwereld, in plaats van met haar overleden echtgenoot Sychaeus die hier geen enkele keer genoemd word
127 dezelfde vorm: ze zijn opgebouwd uit viervoudig rijmende disticha of dubbel-verzen. Ook inhoudelijk hangen de teksten nauw samen: de dichter van
128 van de zwerftocht van Aeneas geschetst, nadat in boek I de schipbreuk en de landing in Carthago waren beschreven en de gastvrije ontvangst door k
129 22.Dux errat pelago rotat illum mortis imago Obvia Kartago dat loca certa vago De aanvoerder dwaalt over zee, het beeld van de dood draait hem r
13 op deze plaats ontbreekt de rest) werden op de laatste pagina in kleine lettertjes afgedrukt, zodat de koper die er aanstoot aan nam deze uit het
130 gesprek lijkt haar zuster Anna, die achter haar staat, Dido te ondersteunen. In strofe 8 richt Dido het woord tot Anna, wanneer zij het vertrek v
131 drama van de liedgroep en de voorstelling zeer beknopt en kernachtig samen. Door hartstocht verblind brengt Dido zichzelf de doodssteek toe; Enea
132 verbrand door het onblusbare liefdesvuur van Venus, hij is verwond door de liefdespijlen van Amor en verzucht: 7b. mors michi melior quam vita l
133 zelfmoord in de meest letterlijke zin voltrokken. Haar dood laat de ultieme consequentie van de hartstocht zien, de zelfopoffering uit (onbeantwo
134 Eneas loopt in de verschillende tekstversies zeer uiteen. Alleen in de Carmina Burana en in het Haut-mont-handschrift zijn, onderling verschillen
135 besloten deze twee lange Troje-gedichten (die misschien niet eerder beschikbaar waren) op deze plaats in de liedverzameling op te nemen. Daartoe
136 voor de jeugd, want dan zoekt Amor een gezel (2,4): Amor regit iuvenes Amor capit virgines; Amor regeert de jongens, Amor neemt de meisjes gevang
137 wiens heerschappij onbegrensd is: Door hem ben ik overwonnen en verwond. Op deze liedstrofe sluit Versus CB 154 aan, een Amor-gedicht in 8 rijm
138 fol. 62r onder/62v boven, waarna de schrijver h2 de rest van de pagina, vanaf regel 6, leegliet om op fol. 63r bovenaan te vervolgen met de lente
139 nog in de hand. Een dergelijke weergave van Amor en ook Jocus zou geheel in strijd zijn met het karakter van de Buraanse liederenverzameling, waa
14 De teksten van de kritische editie vormen de basis voor de tweetalige tekstuitgave (Latijn-Duits) uit 1974 door Günter Bernt, met een vrije maar v
141 HOOFDSTUK DRIE-2 EEN NIEUWE LENTE ... De Lenteminiatuur: De Vere De afdeling Liefdesliederen omvat ongeveer de helft van de gehele verzamelin
142 56-59 en CB 68-73) als bij de strofenliederen: CB 74, CB 78-85305, CB 92. Tenslotte openen ook enkele Liefdesklachten als contrast met de opgewek
143 van de Aarde en haar veelkleurige bloemenkleed behoren tot de standaardelementen van de lentebeschrijving. De natuurbeschrijvingen in de Carmina
144 aansluitende eerste strofenlied CB 74, en drie liedteksten na de Lentegroep, die ook nog verwijzingen naar de Lente bevatten: CB 87, 92, 96.310
145 De komst van de Lente wordt hier omschreven door middel van een kosmische tijdbepaling. Janus, de Romeinse god van het (jaar)begin, heeft het nie
146 CB 60a en CB 61: Venus en de zoete lentegeur Ook de beginstrofen van deze twee liederen bevatten verwijzingen naar de Lente: de zoete nectargeur
147 zachte Westenwind (Zephyr) sluit de ijzige Noordenwind (Aquilo) op in zijn kerker, het donkere wolkendek trekt op door de warmte van de zon, als
148 CB 73: Ver renatum - De Lente is herboren In deze laatste Sequens heeft de dichter geleerde mythografie, lentebeschrijving en een smeekbede tot V
149 2.Risu Iovis pellitur torpor iemalis altius extollitur cursus estivalis solis beneficio qui sublato bravio329 recipit teporem sic ad instar temp
15 Peiper gebaseerde Duitse versvertaling van Ludwig Laistner uit 1879, met de titel Golias: Studentenlieder des Mittelalters, was naast zangboekje o
150 liefdesgevoel bij de jeugd. In het eerste lied Estivali gaudio (1ab) en in het refrein worden de thema’s natuur en liefde afgewisseld, en het ref
151 1.SOLIS Iubar nituit nuncians in mundum quod nobis emicuit tempus letabundum ver334 quod nunc apparuit dans solum fecundum salutari meruit per ca
152 ab aeris temperantia rerum fit materia unde multiplicia generantur semina De zon vernieuwt de aarde opdat haar vruchten niet tegronde gaan. Uit d
153 Het refrein roept op tot bij het blijde jaargetijde passende vreugde: 1.TRANSIIT Nix et glacies spirante Favonio341 terre nitet facies ortu floru
154 De bloeitijd is nabij, het gezang van de vogels zwelt aan, de aarde schenkt troost. REFR. Eia, hoe mooi zijn de vreugden van de liefde! Het Len
155 De Latijns-Duitse verzameling is thematisch onderverdeeld in twee groepen: Lenteliederen (CB 135-155) en Liefdesliederen zonder natuurmotief (CB
156 CB 136: Het gezicht van April De milde zonnewarmte van de Venusmaand April brengt een algehele vernieuwing van de wereld tot stand en het Lentef
157 meisjes tezamen het landschap (bloemenweide en lieflijk bos) verlevendigen. De Duitse strofe, een lofprijzing van ‘heer Mei’ (her meie), sluit bi
158 liefdesverlangen; wie voelt zich oud, als het jaargetijde zich zo mooi maakt? Heer Mei, U wordt de prijs toegekend, de Winter zij weggehoond.
159 3.Ecce iam vernant omnia fructu redivivo pulso per temperiem tam frigore nocivo tellus feta sui par- tus grande decus flores gygnit odoriferos n
16 zelfs in Schotse verzen.25 De vele bewerkingen in diverse talen, die de afgelopen jaren zijn verschenen, lijken erop te wijzen dat de Carmina Bura
160 daarop vermaken! De meisjes en studenten (virgines cum clericis) verzamelen zich daar voor zang, dans en (liefdes)spel.364 CB 143 en 144: De vr
161 Lente op met bloemenpracht en vogelzang. De nachtegaal van het Latijnse lied is in de Duitse strofe tot liefdesbode van de minnaar geworden. 1.T
162 CB 150: De verwelkte aarde bloeit weer op In de bloeitijd van de Lente, aangekondigd door de lieflijke zang van de nachtegaal, wanneer de tempera
163 Voor de Lenteminiatuur: de Latijnse liedgroep, getiteld ‘De Vere’ De lentegroep CB 156 tot 160 De Landschapsminiatuur vult de gehele laatste bl
164 De zoete samenzang der vogels weerklinkt, de jeugd moet zich verheugen! De strenge winter is heengegaan, want er waait een zachte wind. 2.Tellus
165 bos. Dit korte liefdeslied is al eerder in de verzameling opgenomen, tussen de strofenliederen in het eerste ‘internationale’ corpus van de afdel
166 1.AB Estatis foribus Amor nos salutat humus picta floribus faciem commutat Flores amoriferi iam arrident tempori perit absque Venere flos etatis
167 Het lente-motief in het ‘Liefdeskatern’ De tweetalige gezelschapsliederen in het slotkatern van de Liefdes-afdeling (fol. 65-72) bevatten soms o
168 2.Cantat phylomena sic dulciter et modulans auditur <suaviter> intus caleo386 O o totus floreo De nachtegaal zingt, zo zoet en laat haar me
169 Nu grvonet auer div heide mit grvoneme lovbe stat der walt der winder chalt twanch si sere beide div zit hat sich uerwandelot ein senediv not ma
17 schrift in de jaren 1225-30; het schrifttype behoort nog tot de eerste helft van de 13e eeuw, hoewel het een tamelijk ver voortgeschreden ontwikke
170 CB 151a: Walthers Meilied De betreffende strofe, de derde, uit het Meilied van Walther is in het voorafgaande ‘Lente-katern’ van de verzameling o
171 CB 152: Geen Zomer zo stralend als deze Bloemenpracht en vogelzang vormen ook het thema van het volgende tweetalige lied. De eerste Latijnse stro
172 Ter veraangenaming van de Lente bloeien tijm, rozen en lelies; hen zingt de nachtegaal zoet en wellustig toe. CB 81: Nachtegaal en leeuwerik In
173 thema en vorm CB 92 volgt, situeert dit schouwspel in een lieflijk stukje natuur: een bloemrijk dal, waar lelies bloeien en waar de nachtegaal en
174 bijgewoond door een schare van goden, volgens Vollmann een allegorie voor het harmonisch samenklinken (consors consonantia) van alle delen van de
175 Na de verwensingen over deze fatale zaken wordt het thema in koorzang herhaald. Bij deze bijeenkomst is onze Jupiter aanwezig met zijn Juno, Cupi
176 ochtendzanger en sluit met de nachtegaal als klagende avondzanger. De tweede groep bevat lentebodes, vogels die met hun zang of roep de Lente aan
177 CB 144a: De gelukzalige bloeimaand De op CB 145 volgende Duitse strofe bevat geen lentemotief, maar de eraan voorafgaande Duitse strofe sluit inh
178 CB 132: Iam vernali tempore - In de lentetijd: ‘Lied over de zang van vogels en dieren’ Dit eerste Lentelied van de lange reeks die besloten wo
179 Het lentezangkoor van de landdieren wordt aangevoerd door de wilde ezel (onager) en afgesloten door de tamme ezel (asinus). De keuze voor de onag
18 ook de eerste schrijver (h1). Bischoff vermoedde dat ook in het zuidelijke Carinthië Duitse schrijvers vertrouwd waren met Italiaanse schrijfgewoo
180 3b.Lepus vagit et vulpis gannit ursus uncat et lupus ululat ... sus et grunnit asinus et rudit De haas kermt en de vos keft, de beer bromt en de
181 van de beide Versus vormde ongetwijfeld de ‘catalogus’ van vogel- en diergeluiden in het middendeel van het Lentelied CB 132. In de overlevering,
182 Te vespertilio vel hirundo non reticebo Tu michi dulcisonam cape smirle celer philomenam Laudula nulla tuum fugiat cincedula (cicendula?) tactum
183 Lynx (luhs), wolf (wolf) en haas (has), vos (vuhs) en moervos (vohe), das (dahs). Marter (marder) en hermelijn (harmil), otter (otter), bever (pi
184 lijkt het Duitse equivalent van de Latijnse purpergekleurde velden of bloemenweiden (prata purpurata). In CB 152a heeft de heide zich gesierd mit
185 Het lentewoud vol vogelzang Naast de fleurige en geurige bloemenweide vormt het groenwordende bos of woud (nemus, silva) een van de hoofdmotieve
186 In deze middeleeuwse Europese lentelyriek is de belangrijkste boom echter de linde (tilia, linde), die in de liedteksten met de meidans en met li
187 het licht van de algehele renovatio van de natuur schijnt het mij toe dat de illustrator met dit antropo-morf-vegetatieve element het ‘wezen’ of
188 dit lied genoemd en expliciet met de Lente in verband gebracht. Hun rol wordt hier echter versterkt door de toevoeging van de verzen over vogels
189 Lente, aanvankelijk onder de algemene noemer ‘Item (aliud)’ (liederen met een Duitse slotstrofe) en vanaf fol. 63r met de titel ‘De Vere’ (de geh
19 is zijn vroegst dateerbare werk en in een later loflied (c.1245) prijst hij een bisschop van Moravië (Bohemen). Zijn Duitse prijsstrofen wijzen op
190 Zo wordt een relatie gelegd tussen de oplevende natuur en het menselijke gevoelsleven. Vooral in de gezelschapsliederen over de liefde verlokt de
191 HOOFDSTUK DRIE-3 EEN NIEUWE LIEFDE... Een liefdesverklaring met bloemen: Suscipe flos florem Het ingevoegde nieuwere of ‘Duitse’ liedcorpus be
192 De scène van een jongeman die een meisje bloemen aanbiedt illustreert het titelvers dat er direct boven staat: Suscipe flos florem quia flos desi
193 eenmaal zelfs in combinatie. De uitwerking van de ‘liefdesverklaring door bloemen’ in de zes versregels daartussen is een unicum.465 De twee verz
194 1.O MI Dilectissima vultu serenissima et mente legis sedula ut mea refert littera Oh, mijn allerliefste, lees met je vriendelijkste blik en met
195 Samenhang met de liedteksten: motieven uit de liefdesliederen Het afsluitende gedicht met de bijbehorende illustratie behoort met zijn combinat
196 (corpus unum duorum) met zijn geliefde nastreeft,475 maar de vereniging van hart en geest (cor unum duorum et idem velle). Het lied eindigt met e
197 geheimhouding van de identiteit van de geliefde vormt ook een standaardmotief in de middeleeuwse liefdestraditie.482 Flos florum: aardse en hem
198 die door dezelfde clericale auteurs werden gecomponeerd, op dezelfde melodieën werden gezongen en doorgaans in dezelfde verzamelhandschriften zij
199 In het eerste deel van de afdeling Liefdesliederen (CB 56-121) CB 77: SI Linguis angelicis - een liefdesvisioen: de droom van de Roos Zoals geb
2 Promotor: Prof. dr. J.C.J.A. Klamt Dit proefschrift werd mede mogelijk gemaakt met financiële steun van d
20 6* pas ten vroegste rond 1250 als bladvulling op fol. 105r en 104v ingevoegd (tussen de delen van het Kerstspel).41 Bovendien was bisschop Heinri
200 De geliefden begroeten elkaar in een gestileerde dialoog. De man spreekt de dame aan met eretitels als ware zij de maagd Maria, maar vervangt de
201 In het ‘Liefdeskatern’ (CB 161-186) CB 163: Flos in amore spirat odore In liefdeslied CB 163 wordt de geliefde bloemrijk geprezen: haar schoonh
202 CB 170: De Bloem der bloemen De dichter van CB 170 is in liefde ontvlamd voor ‘een buitengewoon meisje, aan wier schone gestalte God en moeder Na
203 CB 115: Een smeekbede De minnaar richt zich direct tot zijn dame en vraagt haar om erbarmen: Nobilis mei miserere precor; Edele vrouwe, ik smee
204 de vlechten van je haren - O hoe stralend is je schoonheid! 3.Rosa rubicondior lilio candidior omnibus formosior semper in te glorior513 Roder
205 gezicht (facies, vultus) glanst blinkend wit met rood en in haar boezem (pectus) is wit vermengd met rood tot roze. Ook het meisje van CB 182 str
206 minnaar komt voor het eerst weer voor in de ‘Verzen uit Ivrea’ (Versus Eporedienses) van de dichter Wido, die de invloed van Ovidius’ Amores verr
207 heupen en de weelderige welving van de buik; de ledematen worden gekenmerkt door gladde handen, vlezige (of witte) benen, korte voeten met rechte
208 15.Aurea mirifice coma dependebat tamquam massa nivea gula candescebat pectus erat gracile528 cunctis innuebat quod super aromata529 cuncta redol
209 De liefdesliederen van Petrus van Blois In de Codex Buranus zijn zeven liefdesliederen van Petrus van Blois (anoniem) opgenomen, waarvan er drie
21 weerspiegelen de regionale schrijfgewoonten zich (onafhankelijk van het tekstmodel) in het al dan niet weergeven van de ‘neuhochdeutsche’ diftonge
210 pariter eburneus sedet ordo dentium par niveo candori Zij verlokt met zoete woorden en met kussen van haar licht gewelfde lippen; de geur van ne
211 Slank rond het middel (onder de gordel) laat zij haar navel een beetje uitsteken boven haar licht gewelfde buikje. Oh, als Jupiter haar zo zou z
212 haren en haar gepenseelde zwarte wenkbrauwen, die aan de uiteinden sierlijk omhoogkrullen. Het gezicht blijkt niet geheel van nature zo fraai get
213 wenkbrauwen, een ideale neus van gemiddelde afmeting, blozende wangen, een rode en verleidelijk lachende mond met licht gewelfde lippen, een rech
214 lende standen.545 Ook in de liefdesliederen van de Carmina Burana poogt de minnaar een meisje voor zich te winnen door met haar over de liefde te
215 levenslust, van overgave aan aards genot en aan de liefde. De strekking van deze liederen is: de jeugd is de bloeitijd van het leven en duurt maa
216 zich uitleven (dum iuventus floruit licuit et libuit): de lichamelijke begeerte volgen (peragere carnis voluptatem), een vrij leven leiden (viver
217 Verliefde meisjes: CB 85 = 159 Dit vierstrofige liefdeslied over ‘Juliana en haar zuster’ komt tweemaal in de afdeling Liefdesliederen voor: een
218 4.Si tenerem quam cupio in nemore sub folio oscularer cum gaudio Dulcis amor! ... Als ik maar mocht vasthouden, haar die ik begeer, in het bos on
219 CB 178a: De Zomer begroeten met een reidans Het vrolijke Duitse danslied CB 178a gaat vooraf aan het Latijnse lentedanslied Tempus est iocundum
22 In 1982 bouwt Lipphardt zijn onderzoek van het muziekrepertoire verder uit. De Carmina Burana bevat Latijnse gezangen van Franse herkomst uit drie
220 Estivali gaudio (1ab), bezingt hoe door de ‘zomerse vreugde’ het ‘koor der jongens’ tot liefde en Venusdienst wordt opgewekt. In het tweede deel,
221 Mandaliet mandaliet min geselle chovmet niet Deze herhaalde uitroep van een meisje is verklaard als Mandalied ofwel ‘vreugdelied’, gevolgd door:
222 CB 172a: Een mannelijke versierder De Duitse strofe CB 172a bevat een soort tegenverklaring van een mannelijke ijdeltuit, die juist hevig naar de
223 topos echter terug op de commentaren van laat-antieke grammatici als Aelius Donatus (4e eeuw)575: Quinque lineae perfectae sunt ad amorem: prima
224 In spreukvorm is het motief in tal van verzamelingen te vinden, in diverse formuleringen. Zo bevat een 13e-eeuws grammatica-handschrift uit het B
225 gedicht om dit lied te begeleiden. Versus CB 64, getiteld ‘De XII virtutibus HERCULIS’, is een leerdicht van Ausonius, dat de heldendaden van Her
226 vogelzang. Zo heeft Amor het hart van de jongeman verstrikt, aan zich onderworpen en met zijn liefdespijlen verwond. Hij werd verliefd op een mei
227 Liefdeslofzang CB 65 en Versus CB 66 Lied CB 65 is een lofzang op het zinnelijke liefdesgenot verhuld onder een mythologische dekmantel. Het gedi
228 Het Buraanse lied CB 116 is een bewerking van een 12e-eeuwse liefdesklacht uit Frankrijk, die in dezelfde vorm ook voorkomt in een ander handschr
229 CB 88 en 167: Het meisje is tot rijping gekomen In lied CB 88 is de aanbeden Cecilia nog te jong voor het bedrijven van de liefde. De minnaar moe
23 these op de schrijfdialecten van de Duitse teksten, in het bijzonder de weerstand van de schrijvers tegen de Nieuwhoogduitse diftongering. Op basi
230 omschreven. Vooral in de lofzangen op de liefde waarmee de afdeling opent wordt het hoogtepunt van het lichamelijke genot bejubeld via de erotisc
231 begunstiger in de liefdesstrijd! Daarna beschrijft hij zijn succesvolle inname als volgt: nam intra seram militavi virginalis porte; want ik voch
232 tegenstand van het meisje slechts gespeeld was. De slotstrofen beschrijven de verzoening na de strijd en de dichter benadrukt dat ook zij van het
233 anonieme herderin. De man verhaalt over zijn liefdesavontuur met een boerenmeisje, dat hij onderweg aantreft. Het gedicht opent meestal met een k
234 Tamelijk hard was het voor haar, voor mij was het aangenaam en zoet. ‘Wat heb je gedaan?’, zei ze, ‘slechterik! Ach en wee, maar toch: Vaarwel! P
235 CB 177: Een meisje als een roosje De laatste groep dans- en refreinliederen begint op fol. 70r bovenaan met een meertalig gedicht, bestaande uit
236 CB 184 en 185: Jagers in het bos De twee gemengdtalige refreinliederen CB 184 en 185 hebben een pastourelle-achtig karakter.624 Ze verhalen over
237 Ik was een kind zo lieftallig, als maagd bloeide ik toen. Toen prees de hele wereld mij, iedereen beviel ik. Refr.Ach en owee! vervloekt zijn de
238 aanrakingen ‘als een trillend blad’ en barst in tranen uit. Als zij verdere intimiteiten weigert gebruikt hij grof ‘krijgsgeweld’ om de maagd te
239 wordt nagestreefd. Het centrale motief van de scabreuze ‘pastourelles’, deflorare, blijkt immers ook het ultieme motief achter de bloemrijke beel
24 gebied van de bisdommen Passau, Salzburg, Brixen en Trente (1994), behandelde Knapp ook de Carmina Burana en werkte een aantal argumenten verder u
240 De relatie met de liedteksten De verzen van CB 186 vormen samen met de daarin opgenomen afbeelding van het Liefdespaar de afsluiting van de afde
241 de lange slanke hals is gevlochten, over de rechte schouders naar achter valt en dan sierlijk de ruglijn volgt tot op de heupen. De huid van gezi
242 lente- en bloemengodin, want groen is de kleur van de plantengroei en de natuur in de lentetijd. Het ‘lentemeisje’ van het gedicht, helder als de
243 jonge vrouw representeert de in de liederen bezongen meisjes, de jongeman de wervende minnaars, de ik-figuren (zangers) van de liedteksten. De
244 de bloemenmetafoor, dan betekent dit tevens dat ook de geschilderde Bloem (Flora) slechts een afbeelding (figura) op perkament is, geen tastbare
245 HOOFDSTUK DRIE-4 IN TABERNA: WIJN EN SPEL De afdeling kroegliederen: drinkers en spelers Terwijl de eerste vier miniaturen van het handschrift
246 Op de reeks drink- en speelliederen (CB 191-206) volgt een reeks van vier metrische gedichten over ‘het spel’ (CB 207-210). De miniatuur van de D
247 middeleeuwse autoriteit, Alanus ab Insulis645, te zeggen: Auctoritas cereum habet nasum, id est, in diversum potest flecti sensum; Een autoriteit
248 Bij een parodie worden motieven uit twee verschillende tekstgenres door vormnabootsing met elkaar in verbinding gebracht, in het geval van de dri
249 ‘De Primate trutanno et de versibus suis et rithmis’. In een later toegevoegde Nota attendeert hij daarbij wel op het onderscheid tussen ‘Primas
25 Lehmann’s tentative supposition was correct, and that the Southern Tirol is the only location which makes it possible to explain all the linguisti
250 Het is mijn vaste voornemen, in de kroeg te sterven waar de wijnkannen de mond der stervende nabij zijn ... De dichter bekent dat de pure wijn va
251 I. In het mengvat wordt wijn aangelengd met water. De wijngod wordt zo verbonden met Thetis, de veel grotere godin van de zee, waardoor hij even
252 Gods zegen, mijnheer, breng de wijn, dan kussen wij hem. Wij achten de Rijn (water) niet hoog, maar dienen Bacchus. CB 197: De drinkebroers Di
253 Ze drinken eenmaal op deze, tweemaal op gene categorie (op de gevangenen, levenden en doden, zeevaarders etc.) tot dertienmaal toe, eindigend met
254 CB 200: Een Bacchus-hymne Het refreinlied op Bacchus is een gezelschapslied, dat de grondvorm van een hymne parodieert (aanroeping, opsomming va
255 siquis bibit sepius satur fit et ebrius Deze holle beker, overvloeiend van goede wijn; als men er veelvuldig uit drinkt, wordt men verzadigd en d
256 Oh, gij uitverkoren drinkers, gij zijt dorstig zonder dorst. Kom, drinkt nu ongehinderd en vergeet de bekers niet. Laat de steeds bijgevulde beke
257 URBS Salve regia Trevir urbs urbium Wees gegroet, koninklijke stad Trier, stad der steden 2.Trevir metropolis urbs amenissima que Bachum recoli
258 Te Deum laudamus et hoc propere Als wij dan de wijn begroeten, dan zingen wij: ‘U God, loven wij’ - en wel snel! Dan volgt een ‘advies’ aan de
259 In de cultus van deze religie (religionis cultus) vervult uiteraard naast voedsel ook wijn een essentiële rol (2,5): cuius mensa et cratera sunt
26 Inmiddels was er vanuit germanistische hoek ook een nieuw voorstel gedaan, door C. Bertelsmeier-Kierst. N. Palmer maakte in zijn bespreking van de
260 In de derde strofe gaat het drinken weer vergezeld van dobbelen.689 De ‘prediker’ besluit zijn rede, in parodie op een hymne, met een oproep tot
261 CB 191: De goklustige Archipoeta In zijn Confessio bekent de Archipoeta na zijn liefde voor meisjes ook zijn goklust en zijn voorliefde voor het
262 sed furti conscii dum ludunt socii Het is de gewoonte van een valsspeler, dat zijn steen de snellen, tragen en loggen bedriegt; dat de dobbelste
263 Ook na het verblijf in de gastvrije herberg aan het marktplein van CB 197 eindigen de drinkebroers ‘naakt’, zonder mantel, op straat (5,3): fratr
264 Na een stevige drinkronde wordt de tafel leeg gemaakt, de spelers halen hun dobbelstenen tevoorschijn en ruilen hun kleding in voor speelgeld en
265 achterzijde van blad 91 met waarschuwingen tegen de verleidingen van het dobbelspel. CB 208 is een vier-regelig letterraadsel met als raadwoord ‘
266 IV.Hii tres ecce canes segnes celeres et inanes Sunt mea spes quia dant michi res et multiplicant es Pignora cum nummis cum castris predia summi
267 effect van de woordgrappen bij opvoering voor een gezelschap met een clericale achtergrond zeer moet hebben vergroot. De eigenlijke grap van een
268 3b.Per tres falsos testes abstraxisti vestes Ses zinke surgant spes mea precedant cito in tabulea Door drie valse getuigen heb jij mijn kleren we
269 Mirabantur omnes inter se, quod Decius abstraxerat cuilibet vestes; En zij verwonderden zich onder elkaar, dat Decius kleren had afgenomen van wi
27 Salzburg en hadden hun contacten met andere Augustijner koorherenstiften als Klosterneuburg, Passau, Salzburg en wellicht ook met elkaar. Het ‘Aug
270 hier Hashardus genoemd, naar het Franse hasard (toeval, kans).725 Deze treedt op als personificatie van het dobbelspel, synoniem aan Decius, wien
271 CB 221 en 222: De Drinkerspreek en de Spelersabt De preekparodie CB 221 is gericht tot de drinkersgemeenschap, die tevens een spelersgenootschap
272 De Drinkscène De teksten: Bacchus en de wijn De Drinkers-miniatuur staat temidden van drinkliederen die aan Bacchus en de wijn zijn gewijd (CB
273 voorstelling tot een ‘Drinkersmis’ van de volgelingen van Bacchus, als visuele tegenhanger van de gezongen Spelersmis CB 215. Centraal in de kroe
274 geld en kleding, waarna de verliezer ‘naakt’ in de goot belandt. Dit roemloos einde van het spel wordt met veel leedvermaak beschreven. Toch geve
275 herbergier (tabernarius) keert als staf van de schenker terug op de hoofse Triktrak-afbeelding. De waard staat naar de linkse spelersgroep gerich
276 laten volgens mij de volgende stand zien: op de linkse tafel van boven naar onder 4-2-6, samen 12, op de rechtse tafel vanaf linksboven 3-6-4, sa
277 afgeleid van het Latijnse woord tabula voor speelbord, ook wel Werptafel genoemd vanwege het gebruik van dobbelstenen. Het ‘werptafelen’ verenigt
278 CB 209: Schaak als veldslag In vier verzen wordt een schaakpartij kort omschreven met termen en beeldspraak uit het krijgsbedrijf.740 De op het
279 1. Qui vult egregium scachorum noscere ludum Audiat ut potui carmina conposui Wie het verheven schaakspel leren wil, moet toehoren: ik heb - n
28 Talrijker zijn de korte verzen, vaak spreuk-achtig van vorm en belerend van inhoud, met onder andere citaten van antieke dichters maar ook spreekw
280 voorhoede gaan als eersten voorwaarts, stap voor stap. Vanaf zijn standplaats mag een voetsoldaat schuin naar voren slaan en als hij ongeslagen d
281 De alficus (loper) verraadt reeds in zijn naam zijn Arabische afkomst (al-fil, Perzisch pil). In het oorspronkelijke spel was hij de strijd-olifa
282 De rechtse speler op de miniatuur rukt weliswaar met zijn toren vanuit de rechterhoek ver het speelveld op, maar deze eerste uitval naar voren be
283 overgeleverd. De Schaak-afbeelding vormt een samenhangend paar met de Triktrak-miniatuur en moet samen met deze (en die van het Dobbelspel?) uit
284 (CB 194) en de ‘Archipoeta’, hofdichter van de Keulse aartsbisschop (CB 191 en 220), een grote verspreiding gekend. Ook veel van de overige tekst
285 Copyright: C.J.M. Couwenberg, 2011
EEN LIED VOOR ELK SEIZOEN DE CARMINA BURANA IN BEELD - DEEL II A SONG FOR EACH SEASON PICTURING THE CARMINA BURANA (with a summary in English)
2 Promotor: Prof. dr. J.C.J.A. Klamt Dit proefschrift werd mede mogelijk gemaakt met financiële steun van d
3 HOOFDSTUK VIER DE MINIATUREN EN DE BEELDTRADITIE Van de ons bekende handschriften met wereldlijke liederen werd de Carmina Burana als eerste met a
4 Dido’s liefdesdrama tot zelfstandige onderwerpen voor lieddichters. Deze thema’s zongen zich letterlijk los uit hun oorspronkelijke samenhang, die
29 Burana drie liedrepertoires uit Frankrijk te onderscheiden, afkomstig uit verschillende centra en periodes. Bovendien bevat de verzameling een mee
5 miniatuur tot beeldmerk van de gehele verzameling geworden, die de kaft(omslag) van diverse edities van de Carmina Burana siert.4 Onder kunsthistor
6 en waarschuwing eeuwenlang kon spelen zonder wezenlijk van gedaante en karakter te veranderen is slechts schijnbaar in tegenspraak met haar wispelt
7 gelt. In de latere versies van dit populaire type is de soms geblinddoekte Fortuna dan ook meestal in een staande houding weergegeven.9 De Carmina
8 in Pavia onder de Oostgotenkoning Theodoric, aan wiens hof in Ravenna hij eerst carrière had gemaakt. Boethius ontleende het motief van het draaien
9 Hoofdpersoon van de voorstelling is de door Boethius sprekend opgevoerde Fortuna, staande achter haar instrument: een spakenrad met figuren rondom.
10 een rad-afbeelding bevat door dezelfde tekenaar. De twee rota-voorstellingen vormen elkaars tegenbeeld: het rad van het aardse fortuin wordt hier
11 Deze vroege uitbeelding van Fortuna’s Rad bevat al de wezenlijke elementen van het beeldmotief: de configuratie van vier personen rond het rad, cu
12 van Fortuna’s rad. Zo vormen de vier uitspraken het leitmotif van een reeks Fortuna-gedichten van Boccaccio. Ze werden tegen het einde van de 15e
13 Fortuna tronend in het rad De Fortuna-miniatuur in de Carmina Burana behoort wat compositie betreft tot het schema van Fortuna in rota: Fortun
14 Het radschema van Villard Het schematisch ontwerp voor een Fortuna-rad door de Noord-Franse bouwtekenaar Villard de Honnecourt laat zien hoe de n
3 Voor mijn ouders Jos Couwenberg i.m. en Rie van Drunen
30 een muziekhandschrift in Florence (Med-Laur.Plut.29,1) en een teksthandschrift in Oxford (Bodl.Rawlinson C 510).72 Liederen van Duitse herkomst
15 De machtsstrijd om Rome Alanus ab Insulis geeft in zijn allegorische gedicht Anticlaudianus een beschrijving van het Rijk van Fortuna, die daar vo
16 Uit het kruisvaardersatelier van Acre zijn uit de tweede helft van de 13e eeuw vier verluchte exemplaren bekend van de Histoire Ancienne, waarvan
17 staande achter de spaken van het rad dat haar nu geheel omgeeft (‘Boethius-type’ met vergroot rad).44 Bovendien troont Fortuna in kleiner formaat
18 ten tijde van de kruisvaarders. De gebruikelijk vertaling naar de eigen tijd heeft bij dit specifieke thema een bijzondere urgentie, die bijvoorbe
19 Een verwijzing naar de eigentijdse historie? De majesteitelijke uitstraling van de Buraanse Fortuna in combinatie met een tronende heerser naar c
20 geïllustreerd.57 Op de twee troonscènes waarin Fortuna optreedt wordt de Rota fortune verbonden met de verliezer Tancred, die met name wordt genoe
21 dichter besluit met een algemene verzuchting over het lot van de mens: Seht, alsô gât diu welt hie mit uns umbe.61 Ook in de Latijnse Fortuna-lied
22 representeert het de heerser in zijn hoedanigheid van wetgever en opperrechter.64 In deze houding is keizer Frederik II bijvoorbeeld afgebeeld naa
23 dergelijke contemporaine gerechtscène ontleend, maar de naar voren gericht blik maakt deze tot een zelfstandige heersersafbeelding. De Buraanse v
24 De majesteitelijke Fortuna in het rad Fortuna beheerst de lotgevallen De Buraanse Fortuna troont voor het rad als een heerseres, in een statische
31 overgeleverd.77 Docen bezorgde al in 1807 de eerste uitgave van alleen de Duitse verzen. Hij vermoedde dat de verzameling een vaganten-liedboek wa
25 de beeldencyclopedie die abdis Herrad samenstelde voor haar klooster Hohenburg in de Elzas (c.1175-85).77 Op een Artes-blad uit Salzburg (c.1150-6
26 oorspronkelijke uiterlijk van deze eind 19e eeuw geheel overgeschilderde figuur geeft de wat latere Ecclesia-miniatuur in het Perikopenboek van St
27 weergaven van dit beeldmotief. Het is misschien te danken aan het toeval van de overlevering, maar deze tronende ‘Fortuna in rota’ lijkt meer aan
28 Madonna als openingsbeeld te verwachten is. Ook een moderne bewerker van de Carmina Burana heeft Fortuna’s rol zo opgevat, blijkens de ondertitel
29 Dido’s zelfmoord als voorbeeld van Fortuna’s ingrijpen in de geschiedenis van de mensheid, ditmaal op het terrein van de liefde.
30
31 HOOFDSTUK VIER-2 DIDO EN AENEAS: EEN KLASSIEK LIEFDESDRAMA De Dido-miniatuur is de enige verhalende voorstelling in de Codex Buranus en is als z
32 Dido in de antieke Romeinse kunst De liefdesgeschiedenis van Aeneas en Dido stamt uit Vergilius’ Aeneis, het nationale epos van de Romeinen (29-1
33 in het bijzonder. Door de ‘gezelschapsruimten’ van zijn villa te decoreren met literaire thema’s kon de eigenaar zijn gasten imponeren met zijn ke
34 De illustratie is uitgevoerd door drie schilders in de zogenoemde ‘classical revival style’. Rome beleefde rond 400 een laatste opbloei van antiek
32 maar ook bij de unica ging Wachinger uit van dezelfde verhouding als regel, namelijk dat de meeste Latijnse carmina van deze groep als contrafacte
35 gaan om uitstel van zijn vertrek te vragen, maar deze blijft doof voor haar herhaalde smeekbedes. Na fol. 37 en 38 ontbreekt weer een blad, dat op
36 De setting en de hoofdrolspeelster blijven gelijk: de koningin met zelfmoordplannen heeft alle tekenen van vorstelijke majesteit afgelegd en bevin
37 Vergilius als schoolauteur: de Aeneis als studieboek De middeleeuwse Vergilius-traditie is voornamelijk een teksttraditie, geheel passend bij zij
38 Zo werd in de Latijnse geleerdentraditie de antieke beleving van het Aeneasverhaal op schoolse wijze voortgezet, inclusief de nadruk op Dido’s zel
39 tot een groep klassieke handschriften vervaardigd in opdracht van hertog Giovanni III en bestemd voor de door hem ter nagedachtenis aan zijn echtg
40 stijlopvatting in diverse stadia zien. De radicale reductie van de verhalende scènes tot hun essentie levert samen met de vervorming van de figure
41 Noord-Frankrijk tegen 1200: de verzamelde klassieken De oplevende interesse in antieke literatuur en historie komt vooral in Frankrijk op divers
42 daarvan. In deze nieuw gevormde middeleeuwse beeldtraditie speelt Dido weer een hoofdrol, als de tragische heldin van de Carthaagse liefdesepisode
43 roman d‟Eneas stamt uit de tweede helft van de 13e eeuw, maar moet op eerdere Franse voorbeelden teruggaan.123 De Eneide van Heinric van Veldek
44 eveneens een historisch heldendicht als spiegel voor de eigen tijd (Regensburg c.1170).128 Misschien diende het prachthandschrift als geschenk voo
33 Meertaligheid in de Carmina Burana In een studie uit 1981 plaatste Ulrich Müller de liederen met Duitse strofe in de bredere context van meertalig
45 lichaam omhult en waaronder de zoom van haar gewaad breed uitwaaiert.133 Het feestmaal bij Dido (v.880 ff.; fol. 9v) laat de hoofse tafelmanieren
46 dramatische moment in het geheel niet voor (v.2231 ff.).138 Op de antieke miniatuur bevindt de razende Dido zich in een uitkijktoren van het palei
47 meeste gevallen heeft hij bestaande beeldformules aangepast aan de inhoud van de tekst. Voor een groot deel betreft het standaardscènes uit het be
48 Ook in de motiefkeuze en iconografie lopen beide uitwerkingen van het thema uiteen. Het afscheidsgesprek bij de poort en de interventie van Anna i
49 evenals Aeneas voorbestemd is een rijk te verwerven.148 In navolging van diens aankomst in Carthago komt ook deze rondzwervende dux Ernestus in ee
50 geïllustreerde exemplaar dat van de roman d‟Eneas is overgeleverd, meestal gedateerd rond 1275, bevond zich begin 15e eeuw aan het Anjou-hof van N
51 Histoire Ancienne: ‘Hoe koningin Dido zichzelf doodt omdat Eneas haar verlaat’154 De tendens om de ‘antieke romans’ chronologisch te bundelen co
52 (verloren) Franse voorbeeld, maar vertalen deze naar hun karakteristieke mengstijl en voegen elementen uit hun eigen schildertraditie toe. Kenmerk
53 vervaardigd als geschenk voor Henry II de Lusignan, ter gelegenheid van zijn kroning tot koning van Jeruzalem (in Tyrus) in 1286. De episode van E
54 Het Franse hof van Napels: sterven door vuur of zwaard De beeldcycli in Histoire-handschriften uit Napels staan wat techniek en iconografie betref
34 meertalige aard van de verzameling manifesteert zich volgens Sayce expliciet in de opname van materiaal uit verschillende tradities en de combinat
55 die tot de dood van de heldin leidt, verklaart waarom in de zelfmoordscène van Histoire-illustraties het brandende vuur (van het romanmodel) meest
56 Op de illustraties bij de Eneasroman, inclusief die van Veldeke, worden de zelfmoord door zwaard en vuur gecombineerd, conform de romantekst. Ook
57 hovelingen. In deze hoofs-elitaire context past ook de hernieuwde illustratie van de Eneasstof: de inhoud van de tekst op een eigentijdse en repre
58 latere kopie overgeleverd, rond 1275 in Italië vervaardigd naar Frans model of wat eerder in Frankrijk zelf, met de ‘klassieke’ vertrekscène als o
59 beneden in de daar ontstoken brandstapel. De val van de muren keert terug in één latere Dido-ilustratie, bij de Histoire Ancienne, waar Dido’s wan
60 stuurman (Palinurus in pluviale), maar geen zeil.166 Zelfs in de zeevaartscènes van Veldekes Eneide is het antieke voorbeeld nog herkenbaar, voora
61 overbrenging (translatio) van het corpus van St-Marcus vanuit Alexandrië naar Venetië (afb. 38). In de mozaïekdecoratie van dezelfde kerk (c.1220)
62 zien dat de Italiaanse havensteden een hoofdrol speelden bij het in beeld brengen van hun handelsschepen, waarbij Pisa zich aanvankelijk vooral li
63 HOOFDSTUK VIER-3-1 LENTE EN LIEFDE: EEN CENTRAAL TWEELUIK MET EIGENTIJDSE THEMATIEK Na de morele les van Fortuna en het tragische liefdesverhaal
64 Brinckmann vinden we al de later eindeloos herhaalde duiding van de de afbeelding als illustratie van een specifieke tekst, namelijk het Duitse ge
35 (CB 122). Typisch Duitse gelegenheidsgedichten zijn het politieke jubellied CB 53 op de beëindiging van het Schisma in 1177, waarin aartsbisschop
65 bladgrote illustratie opnam, met bovenstaand bijschrift maar zonder de miniatuur in zijn lopende tekst te behandelen.181 Boeckler en de literatu
66 ‘vroegste zelfstandige afbeelding van een boslandschap’ (zonder figuratieve scène) als een formule terug in latere publicaties van de BSB in Münch
67 in de westerse kunst sinds de laat-klassieke tijd. De illustrator van de Carmina Burana, die het leven van de natuur in de zomertijd moest uitbeel
68 Avril accentueert de overgangspositie van het ‘zomerse boslandschap’, waarin met traditionele beeldmiddelen al een nieuwe mentaliteit wordt uitged
69 fantasiebomen tegen een blauwe achtergrond zijn vogels en een aantal dieren verweven.194 Toch lijkt de reputatie van de miniatuur als ‘landschap’
70 variety of forms’ zelfs het karakter van de Carmina Burana als geheel: ‘a true paradise of poetry, music, and visual images’.197 Een tweedelig e
71 worden als een ‘lentelandschap’ of ‘een lentewoud met dieren’, maar ook algemener als ‘de natuur in de lentetijd’ of ‘de natuurlijke wereld in len
72 namelijk in de Perzische kunst ten tijde van de Sassanieden (224-642), de laat-Iraanse stijlfase die tot in de 9e/10e eeuw voortleefde. Hij wijst
73 interpretatie van de voorstelling als paradijsafbeelding naar Iraans model.203 De nauwe samenhang van de miniatuur met Sassanidische voorbeelden b
74 miniatuur als illustratie van wereldlijke lenteliederen wordt uit het oog verloren of tenminste overschaduwd door deze fixatie op een hogere symbo
36 secretaris van koning Hendrik II van Engeland (1154-89). Na zijn priesterwijding rond 1190 was hij aartsdiaken van Bath en Londen en tenslotte kan
75 bijschrift): boven het vruchtbare land met een rij bomen en planten in volle bloei, onder een groep vreedzame dieren die samen drinken uit één wel
76 Grieks-Romeinse kunst van het Middellandse Zeegebied, waardoor de middeleeuwse kunstenaars meer of minder direct geïnspireerd zijn.213 Naar mijn g
77 derlijk dat dergelijke oosterse boomtypen juist in deze eeuw van nauwere contacten door het Westen werden overgenomen.216 Terug naar Erdmann: co
78 zien die zo kenmerkend is voor de 12e-eeuwse ‘renaissance’. Deze boomafbeeldingen wijzen volgens Ladner vooruit naar de beroemde 13e-eeuwse miniat
79 hun buigzame stammen en gestileerde bladeren hebben volgens Avril hun voorlopers in de Engelse boekschilderkunst van de 12e eeuw. Als voorbeeld no
80 Romaanse initialen met palmetranken De ‘Perzisch-Byzantijnse’ palmetrank gaat uiteindelijk terug op de antieke wijnrank gecombineerd met Sassanidi
81 topbladeren en opbollende palmetbloemen tonen aanzetten tot plastische vormgeving door binnentekening en arcering, onder invloed van Rijnlandse vo
82 ranken. In de figuratieve scènes worden de typisch romaanse rankenbomen afgewisseld met andere gangbare boomtypen, met name de oudere gestileerde
83 Paasvoorstelling (fol. 46r) zijn de traditionele Salzburgse ‘modellen’ te ontwaren: links een tweedelige ‘Ottoonse’ schermboom op een hoge stam, i
84 Een ‘candelaberboom’ in de stijlfase van het Salzburgse Antiphonarium zien we op een sterk van dit hoofdwerk afhankelijke Martyrologium-tekening i
37 behoort, werd vooral in deze zuidoostelijke regio gecultiveerd, evenals het religieuze drama dat een plaats kreeg aan het einde van de verzameling
85 aangezet: groene en blauwe aardschollen, daarboven een groen gearceerde stam en rankwerk, waarbij de ornamentale palmetkruin een blauw-bruin gesch
86 De boomtypen op de figuratieve scènes van het ‘modelboek’ volgen de meer natuurlijke modellen van een kruinboom of een vertakte boom met blaadjes.
87 De vormentaal van de Millstatt-bomen is verwant aan die van de lentebomen in de Carmina Burana, ook wat het bonte decoratieve kleurgebruik betreft
88 spiraalrank omhoog, bestaande uit een slinger van kleine voluten die driedelige bladpalmetten omsluiten.245 Een ‘arboretum’ van romaanse boomvor
89 c.1220-30) bevinden zich twee exemplaren met hartvormige bladeren: op de liefdesscène van Dido en Eneas tijdens de storm en bij de hertejacht van
90 bladinvulling. Deze ‘kwadrering’ van de boomkruin bood de boekschilders de mogelijkheid tot snel werken, vooral als de vulblaadjes ook nog werden
91 meer ‘natuurlijke’ kruinbomen worden soms gecombineerd met ornamentale elementen als symmetrische ‘stambladeren’ waarop vogels zitten.259 De grote
92 architectuur, interieurs, objecten, textiel en boeken. Naast deze toepassing als ‘natuurlijk decor’ fungeren bomen en dieren als beeldelementen in
93 De weergave van de natuur Het idee dat de natuurlijke wereld onderwerp kan zijn van een voorstelling was ongewoon in de tijd van de kunstenaar. D
94 nachtegaal de meest typerende vogel. Voor het uitbeelden van deze dichterlijke topoi maakte de illustrator gebruik van even gangbare vormen en mot
38 ‘ansehnliche Handschrift’, vermoedde hij toch dat de verzameling eertijds in handen was geweest van reizende zangers, ‘in den Händen solcher umwan
95 De Vere: de uitbeelding van de Lente Gezien de illustratieve functie van de miniatuur is deze in de eerste plaats bedoeld als lentebeeld, in aans
96 waarbij Ver bloemen draagt, als bij de maandfiguren van de kalendercycli. Een verwante voorstelling is die van ‘moeder Aarde’ (Tellus, Terra, Cybe
97 (aperilis) van de lentebloesem wordt in de karolingische tijd overgenomen door Rhabanus Maurus maar ook door de schrijver-dichter Baldo, de vermoe
98 In de krypte van de San Savino in het noordelijke Piacenza (eind 12e eeuw) is het de herder van April die twee bebladerde bomen vasthoudt.271 Het
99 De in St.Gallen of de Reichenau vervaardigde kopie van het ‘Martyrologium van Wandalbert’ (c.900) is een klein elegant zakboekje met bladgrote maa
100 De beeldmotieven uit de Lentevoorstelling De Buraanse schilder heeft de lentetijd in beeld gebracht in de vorm van een landschap, een concrete
101 Ornamentaal bladwerk met vruchten of koppen treffen we in de vroege 13e eeuw onder meer aan in de pentekenkunst van het Zuid-Duitse gebied, in de
102 Ook in de provinciaal-Romeinse kunst van het Rijngebied was het bladmasker een geliefd motief, met name in de wijnstreek rond de westelijke hoofd
103 toenemende mate de invloed gelden van de Franse gotiek.289 De fraaiste vertaling van de nieuwe vormentaal van Reims in een Duits bladmasker is te
104 groeiprocessen van de levende natuur, dat zich manifesteert in het ontspruiten van de planten uit de aarde, in de organische groei van de mens (m
39 andere daaruit af, ‘daß wir mit den Carmina Burana das bewundernswert reiche Repertoire einer Stätte mit hoher poetisch-musikalischer Kultur besit
105 De afbeelding van de scheppingsdagen kende gedurende de 12e en 13e eeuw een grote populariteit, vooral in de illuminatie van Bijbels en Psalters
106 opschieten uit de vlakke bodem en uit een steile rotswand.299 Het zesdelige scheppingsblad volgt Italo-Byzantijnse voorbeelden en de indeling in
107 en de lucht al soortgenoten bevinden. Het Genesisblad van de Salzburgse Bijbel uit Michaelbeuern (tweede kwart 12e eeuw) bevat een fraai voorbeel
108 Mundi wordt op de linkerbladzijde in pentekening zijn zesdagenwerk getoond, waarbij de schepselen hun schepper eer bewijzen en zijn zegen ontvang
109 begin van het aardse leven na de zondvloed: de uittocht uit de ark van Noach. De in Noachs ark verzamelde dieren trekken de wereld in om deze na
110 wilde dieren en geïllustreerde dierenboeken (als de Physiologus) voor dieren in hun natuurlijke omgeving. Voor de combinatie van planten en diere
111 herten, damherten, wilde ezels etc. (cervi, dame, onagri et cetera); ze gelijken op grazend vee (pecus), maar staan niet onder de hoede van de me
112 ‘natuurlijke historie’ is nog af te leiden uit de middeleeuwse tekstillustraties die zich over het algemeen beperken tot het natuurkundige aspect
113 De overlevering van de Duitstalige bewerkingen van de Dicta-versie beperkt zich zelfs geheel tot het Oostenrijkse gebied. De bekendste bron vormt
114 den: een strijdbare leeuw (tegenover een griffioen) en een adelaar met gespreide vleugels tussen de vogels (fol. 8v en 10r). Het ornaat van Göß
40 verzamelijver was wellicht toch de liefde voor de dichtkunst en de daaruit voortkomende wens van een groep clerici om de Latijnse poëzie van de af
115 Het prototype van deze weldadige boom stamt uit de Oriënt, waar symmetrische ‘levensbomen’ met vrucht-etende vogels vanouds als symbool van voors
116 uitgelaten sfeer die bij het losbarsten van de Lente hoort. Zelfs van de liggende hinde en haas gaat geen rust uit maar eerder gespannen afwachti
117 en klein jachtwild: het edelhert (met hinde) en de haas, ondanks het ontbreken van de laatste in het beestenboek zelf. Mogelijk hebben ook in de
118
119 HOOFDSTUK VIER-3-2 DE DIEREN VAN DE LENTE De dubbel-miniatuur van het lentelandschap vormt boven het luchtige domein van de vogels en onder het
120 rijdieren kan variëren blijkt uit de tekening van de elementen in een astronomisch verzamelhandschrift uit Prüfening bij Regensburg (c.1210-20):
121 robuuste kraaiachtige vogels met een forse snavel, kleine zangvogeltjes, hoenderachtige grondvogels en sierlijke vogels met lange halzen en staar
122 De maandfiguur van Februari herinnert aan de Romeinse staatskalender voor het jaar 354 (door de kalligraaf Filocalus), overgeleverd in latere tek
123 gen uit Rome houden de genii van de seizoenen natuurlijke attributen in handen, waarbij de vroege Lente wordt vertegenwoordigd door een zwaluw en
124 Het rond 1100 geborduurde Scheppingskleed van Gerona (Catalonië) toont aan de zijkanten de maanden van het jaar als actieve figuren (met een maan
41 nauwe relatie staat tot het oudere Paasspel uit Klosterneuburg (Stiftsbibl. CCL. 574, ca. 1200), eveneens een Augustijner koorherenstift.115 Het
125 Een koppel duiven als liefdespaar De vogels van de Lenteminiatuur zijn opvallend vaak in paren weergegeven, zoals bij het jaargetijde past. Welli
126 die door het groenende woud weerklinkt vormt immers het hoofdthema de lentestrofen, die de miniatuur samenvattend illustreert. Een lyrisch lente
127 boven elkaar op de twee feestscènes. Het Meifeest wordt op de achterzijde vervolgd met een riddertoernooi, waar Riwalin en Blantscheflur elkaar (
128 maar waaraan hij niet kan deelnemen, omdat zijn leed om de verloren minne hem daarvan uitsluit. Hij reageert zelfs niet op de eekhoorn die speels
129 een verliefde vrouw de vreugdevolle lentenatuur met haar eigen bedrukte stemming en richt zich dan in de slotstrofe smekend tot haar beminde. Ze
130 jonge liefdesgod Amor, zoals CB 87 beschrijft: Nu is er alom het gekwetter van de vogels; nu vliegt Amor - de gevleugelde knaap met de pijlkoker
131 omhoogkrult. De ongekleurde witte partij - met vooral tamme dieren - bevat een opvallende groep vrouwtjes die hun jongen zogen, waaronder een lig
132 daarom heersersdeugden als dapperheid en kracht (fortitudo), grootmoedigheid (magnanimitas) en rechtvaardigheid (iustitia), maar als keerzijde oo
133 de tekst over de leeuw (lewe) en de illustratie van diens eerste natuur: Wanneer de leeuw in de bergen loopt of door de diepe wouden dwaalt en ja
134 en de plantengroei, die hier in nauwe samenhang worden getoond: de levenslustige leeuw is bijna verweven met de woekerende rankenboom. Als een ge
42 de wereld afsloot en die naast geestelijke steeds ook wereldlijke muziek heeft beoefend.122 Steer acht het niet uitgesloten, dat het handschrift o
135 rond 1200 uit Zwettl en vervolgens Klosterneuburg.394 De jongste versie, met de meest vrije bewerking, toont de klassieke thema’s in vervlakte ro
136 gregarium, ad vehendum aptum) en tenslotte de hybride zoals het muildier van Phyllis (mulus), de onvruchtbare kruising tussen een ezel en een mer
137 De rond of na 1200 gedateerde sokkelschildering in de krypte van de Dom van Aquileia toont - in imitatie van een geborduurd wandkleed - vermoedel
138 heer van stand die te paard met zijn honden op een hert jaagt (afb. 77). Op het Physiologusblad (fol. 3r) verschijnt het paard (als halffiguur) i
139 paarden door stalknechten aan het publiek gepresenteerd. Zij tonen hun kunnen en temperament, in overeenstemming met hun namen: Pupillus (Knaap),
140 agrarische maandencyclus, die de Romeinse triomfboog van Reims decoreert (eerste helft 3e eeuw), plaatst het dekken in Juni. Het reliëfpaneel too
141 appelschimmel berijdt en zijn valk africht.423 Een fraaie monumentale tegenhanger is te zien op de MAIUS-schijf van het zuidelijke roosvenster aa
142 Het vitale edelhert met zijn vertakte gewei Het in heel Europa voorkomende wilde edelhert of roodhert (cervus elaphus) is een groot maar schuw
143 Oppianus vermeldt dat herten slangen doden en na slangebeten naar een rivier snellen ter remedie. In de versie van de Physiologus en Isidorus ver
144 verschrikte omkijken kan erop wijzen dat het hijgende hert tevens toevlucht zoekt voor zijn belagers uit de volgende verzen. In zijn houding lijk
43 verzameling omvat 47 Latijnse en 2 Latijns-Duitse liederen, die alle voor muzikale voordracht zijn bestemd en gedeeltelijk ook van neumen of melod
145 Op de beeldbladen met standen en beroepen in het modelboek van Rein (c.1210) wordt de hertejacht beoefend door een ruiter met honden, als kenmerk
146 wederhelft te richten, die lichtvoetig komt aansnellen, misschien wel van over ‘de bergen aan de horizon’ (2,17).446 Behalve in dit Oudtestament
147 mannelijke dansers die als herten en bokken verkleed zijn (met dierenvellen, maskers en horens), alsof zij zich in deze gedaante ook de dierlijke
148 vertoont invloeden uit Noord-Italië, waarmee contacten bestonden via het bisdom Brixen, en mogelijk is het zelfs gekopiëerd naar een Italiaanse B
149 In feite vindt het liefdesspel van de herten dus niet in het voor- maar in het najaar plaats en vormt het vroege voorjaar juist de periode van ge
150 speelschijf vervult de moerhaas haar rol van ‘voedster’ door languit op haar zij liggend haar twee jongen te zogen. Bij de rode ‘mannelijke’ part
151 opzichte van het zwijn. De vlot getekende dierfiguren zijn vermoedelijk overgenomen uit een dieren-boek of een verzameling diervoorbeelden.464 Oo
152 Al in de klassieke Oudheid behoorde de snelle haas, als klein wild ook wel lepusculus of ‘haasje’ genoemd, tot de favoriete jachtdieren, waarop m
153 vijand van de wijnstok. Vandaar dat in de Romeinse Filocalus-kalender (AD 354) de wijnmaand Oktober verbeeld wordt door een druivenmand en een ja
154 graf, waar een engel hen verkondigt dat de gekruisigde is verrezen uit de doden. De bijbehorende initialen vertalen deze blijde boodschap in een
44 einem der Schreiber des clm 4660 vorgelegen oder ist auf ihn zurückzuführen.’133 In de woorden van G. Bernt: ‘Die Carmina Burana haben als Sammlun
155 De Buraanse Lenteminiatuur: de ‘liefdesjacht’ der dieren Een soortgelijk compilatief karakter kenmerkt het even uitzonderlijke lentebeeld van de
156
157 HOOFDSTUK VIER-4 HET LIEFDESPAAR MET BLOEMEN: EEN LENTEBEELD De landschapsafbeelding combineert de onstuimige groei en bloei van de plantenwere
158 plechtige liefdesverklaring, bevestigd door een bloemengave. We zien een jongeman die zijn beminde een boeket overhandigt, met gevoel voor decoru
159 In de Duitse Minnesang-handschriften van begin 14e eeuw zien we een meer ingetogen versie van de liefdesdialoog, op het ‘portret’ van Reinmar von
160 liederenhandschrift, dat waarschijnlijk voor of rond 1300 in Zwitserland is ontstaan, toont ‘her Heinrich von Stretelingen’ op het liefdespad (af
161 bereikt is. Het uitwisselen van symbolische kransen vormt ook een favoriet thema op ivoren kistjes, spiegels, kammen en andere luxe objecten, die
162 Naast de vier seizoenen behoorde ook de cyclus van de twaalf maanden vanaf de 1e eeuw tot de favoriete thema’s in de antieke decoratie, vooral in
163 beroemde monumentale cyclus. Als mogelijkheid oppert hij muurschilderingen in de thermen van Constantijn in Rome. Een beschrijving van diens ther
164 wijnvat van de Herfst en zit de baardige Winter met een glas wijn bij het vuur. De twee tegengestelde personificaties kunnen bij tweedelingen van
45 Latijnse als Duitse dicht- en liedkunst geïnteresserde clerici, door en voor wie de verzameling werd samengesteld. De laatste toevoegingen uit de
165 maandfiguren onder rondbogen op zuilen.518 Aan de porticus van de San Zeno in Verona (c.1138) vormen deze een doorlopende arcade op de architraaf
166 hem. Motieven als deze pauw wijzen nog op antiek-karolingische voorbeelden, die echter geheel zijn aangepast aan de mode en stijl van de 12e eeuw
167 De wat latere maandencyclus in het Baptisterium van Parma volgt hetzelfde iconografische model, maar in een meer verfijnde vormgeving. De figuurp
168 maandpaneel bloeiende rozen in laagreliëf zichtbaar. Wat we hier zien is de hoofs-middeleeuwse variant van de ‘klassieke’ bloemendrager van Mei.
169 Augsburg met schilderingen in laat-romaanse stijl (c.1220-30).534 De kalenderbladen zijn omraamd door een driedelige zuilenarcade met daaronder h
170 dingen in gekleurde pentekening. April en Mei zijn uitgesneden, maar een daarvan wordt nog als losse tekening bewaard: een lentemeisje dat aan de
171 verliefden door de bloeiende lentenatuur, geheel opgaand in hun minnegesprek. Uiteraard dragen zij de hoofse kledij van hun tijd, rijk geplooide
172 illustrator van de Codex Buranus tot voorbeeld gediend. In ieder geval vormt deze onwaarschijnlijke locatie, in een kloosterlijk Martyrologium, e
173 schone. De aanbidder verklaart haar zijn liefde met een bloemengave en de ‘Meibruid’ heeft zijn aanzoek welwillend aanvaard. Dit liefdesgesprek m
174 O Bloem, aanvaard deze bloem ... als teken van liefde Zo treffen we een religieuze tegenhanger van de Buraanse bloemenschenking aan in een verz
46 had dan de tegenwoordig gebruikelijke concertante uitvoeringen met alleen koor, solisten en orkest.146 Het Utrechts Universiteitsblad deed op 23 o
175 Augustinus-handschrift in Praag (c.1140) zien we hoe de meester zelf een muis verjaagt terwijl zijn leerling Everwinus zich onverstoorbaar over e
176 toch een subtiel effect op de weergave van beide figuren. Het verleidelijke schuilt in details als de openvallende split van de tunica, die de we
177 De keuze van de samenstellers en illuminator om de beide hoofdcomponenten van de liefdesliederen, de lente en de liefde, gescheiden in beeld te b
178
179 HOOFDSTUK VIER-5 WIJN EN SPEL: EEN CYCLUS VAN SPEELS VERMAAK Het slotthema ‘drinken en spelen’ wordt verbeeld door vier samenhangende scènes: ee
180 reproducties van alle drie de spelminiaturen om het thema ‘Feest’ in de hoofs-ridderlijke literatuur te illustreren.562 Vanwege hun eigentijdse
181 Potatores - De ‘lustige’ drinkers De strookvormige miniatuur van de Wijndrinkers is als enige in de Codex Buranus gevuld met halffiguren, als fu
182 Zo wordt in de Carmina Burana de drinkpartij van de potatores voorgesteld als een ‘Drinkersmis’, een Misparodie in beeld. Naar analogie van de ‘S
183 Dat dit luxe type drinkkelk (van edelmetaal) ook in een profane context werd gebruikt blijkt uit de miniaturen met de bordspelers, waar een bedie
184 Eneide worden de drinkbekers al wel geheven maar het moment van het drinken zelf wordt niet uitgebeeld. Volgens de hoofse etiquette is het nameli
47 HOOFDSTUK TWEE BESCHRIJVING VAN HET HANDSCHRIFT EN DE MINIATUREN 1. Beschrijving van het handschrift De codex Clm 4660 is een boek van handzaam
185 gezondheidsleer terecht. Een neerslag hiervan zien we bijvoorbeeld in het prachtexemplaar van de Tacuinum sanitatis in medicina, dat eind 14e eeu
186 Kalenderafbeeldingen met drinkers De drinkliederen van de Carmina Burana zijn voor een groot deel in de koude tijd van het jaar gesitueerd, wann
187 de nieuwe wijn.’587 Een vergelijkbare cyclus is in deze periode in het Griekse gebied te vinden, bijvoorbeeld op het vloermozaïek uit het schip v
188 Na de 10e eeuw keert de wijnproever van de Herfst maar zelden terug in de middeleeuwse maandencycli, die de voorkeur geven aan de ‘werken’ van de
189 drinkt de nieuwe wijn en eet daarbij verse vijgen, geplukt van de struik naast hem. De beker wordt hem aangereikt door een schenker die de wijn t
190 Daarnaast wordt de maandfiguur van December of Januari ook als een drinkende heer weergegeven, zoals in Parma de wijnproever van Oktober. Zo omva
191 Duitstalige liedgenre was in de eerste helft van de 13e eeuw begonnen met lofzangen op het wijndrinken zoals de Weinschlund van de Stricker en de
192 woorden niet besteed: zij vieren liever de huidige ‘vrije tijd’ om de aardse gelukzaligheid van de wijnroes te ondergaan. Wijn bij het spel D
193 de bediening, met een staf als teken van hun hoge ambt. Een vroege illustratie van deze ‘tafeldienst’ bij een middeleeuws hoffeest is te vinden i
194 op de deksel en onder de schaal een hier wel erg kleine voet. Dergelijk zilveren vaatwerk, vaak nog verguld, maakte deel uit van het kostbare taf
48 8,5 mm, zodat er voldoende plaats over is voor muzieknotatie boven de tekst (zie onder). De liniëring is dun met inkt uitgevoerd en bestaat uit 22
195 vergezeld van een man met een proefbeker (hanap), gevolgd door een hele reeks van dergelijke wijnschenkers langs de zijkanten.624 De waard op h
196 De Carmina Burana: wijn bij het spel De combinatie van spel en wijn, die in de kroegliederen van de Carmina Burana zo’n grote rol speelt, blijkt
197 van de dobbelstenen goed uit te laten komen. Op dezelfde manier wordt op de andere twee spelminiaturen het speelbord omhooggeklapt om het bord en
198 festival der dienaren en slaven (Feriae servorum), die tijdelijk zekere vrijheden genoten, waaronder het privilege om op voet van gelijkheid met
199 Deze algemene speelvreugde weerspiegelt zich echter niet in de middeleeuwse beeldtraditie, die het dobbelspel vooral van zijn kwalijke kanten laa
200 De morele traditie: dobbelen als verwerpelijk gokspel Tot de 13e eeuw blijven afbeeldingen van het dobbelspel schaars. Het is opvallend dat de v
201 afhankelijk van het fortuin en geleid door het verstand.644 In het beeldprogramma van dit Lombardische mozaïek worden ze verbonden met het daarui
202 Van Straatsburg is bekend dat er in de 15e eeuw een speelhuis was, ingesteld door het stadsbestuur om het valsspelen en de daarmee gepaard gaande
203 Beieren. Met hun herkomst uit het Zuid-Duitse gebied en hun datering rond het midden van de 13e eeuw nemen zij in de moraliserende beeldtraditie
204 door alle ‘spelerszonden’ te tonen. De twee speelscènes stammen van de eerste en de derde illustrator, die het grootste deel van de cyclus uitvoe
49 pagina (fol. 95v: h1), een nieuw gedicht (fol. 29r: h2, CB 73) of zelfs met een nieuwe strofe (fol. 41v: h1, CB 92, str. 45).151 Van de behouden g
205 Sachsenspiegel - het verspelen van geld en goed In de Sachsenspiegel tekende Eike von Repgow het Land- en Leenrecht van Saksen op, eerst in het L
206 ede moet verklaren niet meer met valse stenen te dobbelen of een ander misdrijf te begaan, want dan wacht hem de doodstraf. De afbeelding op fol.
207 van kleding wordt op laconieke toon als een bij het spel horend risico opgevoerd. De ‘naakte’ speler behoort evenzeer tot de vaste topoi van de d
208 drietal spelen wordt in de contemporaine hoofse literatuur vaak in één adem genoemd, soms nog aangevuld met het molenspel.664 De Buraanse kunste
209 behoren sport en spel, aldus Alfonso. Buiten beoefenen velen fysieke sporten als het steekspel te paard, worstelen en vechten, steen- en speerwer
210 zijn atelier in en liet de verklarende diagrammen van alle spelbesprekingen uitwerken tot een geschilderd speltafereel, resulterend in een platen
211 vormen van het kansspel door beschaafdere personen als tijdverdrijf worden beoefend. De afbeeldingen verraden de invloed van uiteenlopende beeldt
212 Dobbelen als speels vermaak Dat een dergelijke neutrale of zelfs positieve weergave van het dobbelspel deel uitmaakt van een bredere beeldtradit
213 HOOFDSTUK VIER-6 HET BORDSPEL: SCHAAK EN TRIKTRAK Het onderwerp van de laatste twee spelminiaturen is een meer verheven bordspel, dat centraal
214 als een gepassioneerde schaker, die enkel in dit strategische spel afleiding vond.685 De introductie van schaak in Europa gaat aan de periode van
5 INHOUDSOPGAVE Deel 1 Woord vooraf Inleiding Hoofdstuk Een Status quaestionis - Stand van het onderzoek Hoofdstuk Twee Beschrijving van het
50 door een latere hand. Bij de strofenliederen is vaak alleen de beginstrofe van neumen voorzien, maar soms ook de gehele tekst. Slechts bij 11 stu
215 bewaard gebleven schaakborden zijn voornamelijk rijk gedecoreerde pronkstukken, waarbij het schaakbord vaak nog met andere speelborden (voor trik
216 Ongeveer gelijktijdig met de Akense schenking van Hendrik II vermaken twee leden uit de familie van de markgraven van Catalonië hun schaakstukken
217 klooster en een burcht aan de rand van het Zwarte Woud kleinere versies aangetroffen van dit klassieke type (met cirkelslagmotieven). Het kunnen
218 vormgeving (afb. 117). Het gebruikte materiaal, hertshoorn in plaats van ivoor, doet echter vermoeden dat het ook hier om middeleeuws-westerse na
219 bovenzijde is algemeen in gebruik voor de loper en het paard, maar de vormgeving van de uitstulpingen op hun ‘voorhoofd’ kan verschillen. Ook hie
220 klein, hoekig voetstukje aan de ronde hoofdvorm. De robuuste Piacenza-stukken doen denken aan de statige schaakfiguren, die in de 12e eeuw in de
221 zwart-wit geblokte borden met stukken in goud en rood. Koning en vizier/dame hebben eveneens de vorm van hoge cilinders, hier bekroond door een k
222 Deze antieke speltermen, te vinden in vroege canonieke teksten, blijven in latere kerkelijke verorde-ningen terugkeren, hoewel deze inmiddels bet
223 graaf Siboto van Falkenstein in de late 12e eeuw van zijn familiebezit liet opstellen, worden per burcht steeds een of meer schaakborden (scahzab
224 de gekleurde partij naast rood ook bruin, groen, blauw, zwart en goud werd toegepast.731 Een enkele maal werden ook restanten van een houten trik
51 gebruikt en h1 groene. In de delen van het handschrift waar h1 de kleine kapitalen heeft aangebracht, ontbreken vaak de titels en zijn de grote in
225 lijsten aan de lange speelzijden: een rand met halfronde uitsparingen, als ‘huizen’ waarin de schijven worden opgesteld, onderbroken door een lan
226 het houten bord uit Freiburg, de daarmee vergelijkbare triktrakafbeelding in het Manesse-handschrift uit het begin van de 14e eeuw en de vele lat
227 De titelheld Ruodlieb verlaat zijn vaderland (patria) om in dienst te treden van een buitenlandse koning. Als gezant van deze ‘grote koning’ (rex
228 Enkele 12e-eeuwse Franse romans verhalen over de opleiding van hun jonge held tot ridder. Tot het adellijke onderricht behoren naast typisch ridd
229 en de opkomende handelssteden van Italië. Inmiddels waren schaak en triktrak alom bekend en geliefd, zodat zowel materiële resten van speelsets a
230 ‘speeltafel’ met een voor dit soldatenspel toepasselijke tekst: VIRTVS IMPERI/ HOSTES VINCTI/ LVDANT ROMANI .746 Het antiek-Romeinse spelvignet
231 Naast de zithouding van de spelers wijst ook de combinatie met wijndrinken, muziek en dans erop dat het spelmotief, evenals het bordspel zelf, te
232 drinkbeker worden de genoegens van wijn, muziek en spel gecombineerd in een feestelijke hofentou-rage.750 Na de Arabische verovering van het Per
233 Schaak: een spel uit het Oosten Tot op heden zijn geen schaakafbeeldingen uit het oude Perzië of uit de vroege periode van het islamitisch-Arabi
234 Het hoge en smalle middenschip werd overdekt door een duizelingwekkend driedimensionaal ‘stalac-tietengewelf’ van hout, waarvan elk vlakje van ee
52 Het Lentelandschap Het Lentelandschap (fol. 64v: afb. 3) vormt de enige volblad-miniatuur van het handschrift. Het is in feite een dubbel-afbeel
235 Het schaakpaneel In deze overdadige cyclus van hofactiviteiten is ook een schaakpartij opgenomen (afb. 123). Het rechthoekige schaakpaneel toont
236 De Europese beeldtraditie van het schaakspel Met het spel en zijn regels kwamen ook de eerste schaakafbeeldingen Europa binnen als import uit d
237 de Moren kreeg het thema van Karels ‘schaakspel om Saragossa’ in de 12e eeuw een nieuwe actualiteit, waarna de christelijke reconquista door de S
238 wat in de Codex Buranus enkel bij de linkse triktrakspeler het geval is, terwijl de overige drie spelers daar een meer frontale zithouding aannem
239 De spelscènes van het zwart-wit-mozaïek zijn incompleet. Aan de buitenzijde is ongeveer een derde van de voorstelling afgesneden, waardoor zowel
240 vormgeving en maakt bovendien deel uit van een complex allegorisch programma. Zo documenteert dit uit de late 12e eeuw daterende vloermozaïek de
241 noord gepaard ging met een omvormingsproces van een oosters naar een westers beeldtype. Hetzelfde geldt voor de wandschildering in Le Puy, die ee
242 aangezegd, want er rest verder nog maar een enkel stuk op het bord.774 Verwijst het matzetten in de (onopgeloste) ‘schaakrebus’ misschien naar ha
243 Walter van Gloucester rond 1100 in zijn bezit had en uit vondsten van speelschijven en schaakstukken in 12e-eeuwse Normandische burchten. Scha
244 spiegelbeeldig uit een standaardmodel overgenomen, want in de huidige compositie spelen beide schakers met de linkerhand. In de wat latere Codex
53 scheut met een enkel hartvormig blad, waarvoor een derde vogel van hetzelfde type de heuvel opspringt. Aan de voet van de heuvel groeit rechts teg
245 aan de lange Trojaanse strijd tal van nuttige en aangename uitvindingen te danken, waaronder schaak en triktrak, en het dobbelspel: Eschès et tab
246 met een schaakscène van een koning en zijn leermeester, met op de achtergrond twee vrouwelijke toeschouwers.789 Histoire d’Outremer - schakende
247 In boek 14 verhaalt Willem van Tyrus over de aanslag op de graaf van Jaffa, die zwaar gewond raakte terwijl hij zat te dobbelen in de straten van
248 derd dat de schetsmatige ondertekening nu het beeld bepaalt. Op het vierkante speelbord is geen vlakverdeling aangegeven, wel zijn enkele schaaks
249 graaf van Lüenz (nr 40) beoefent met zijn gezellen het steenstoten en de jonge Meißner (nr 113) het balwerpen, waarbij een bediende voor wijn en
250 tingen, maar ook voor toernooi- en strijdscènes.800 Het figurenschema van de schaakpartij tussen Wilhelm en Amelie kan zijn gebruikt voor het tri
251 erotische attributen in de ‘minnestrijd’ geduid worden, al zou de toren (burcht) van de dame dan eigenlijk van haar eigen kleur (zwart) moeten zi
252 grote verzameling van 128 eindspelen (mansûba). Deze worden in dit handboek volgens een vast patroon besproken aan de hand van een eenvoudig maar
253 specifieke schaakproblemen en hun mogelijke oplossingen. Het probleemschaak richtte zich voorna-melijk op het hoogtepunt van de schaakpartij, de
254 hun namen ingetekend, in de kleuren rood en zwart. Ook in de tekst worden de partijen in rood en zwart onderscheiden (vermeil, neir). Naast zes d
54 de ranken van het rechterdeel van de kruin concentreren zich diverse vogels, waaronder drie rustende ‘tortelduifjes’. Op de toprank staat een voge
255 kerkelijke ambten en met verstand van het schaakspel.’813 De combinatie van schaak en recht herinnert aan het vloermozaïek van Piacenza en de 12e
256 oorsprongsverhaal zijn alle mogelijke associatie van het schaakspel samengebracht: strijd, liefde, hoofsheid, antieke historie en Lombardisch spe
257 ‘schaakpatroon’ ingekleurd en voorzien van ingetekende en gekleurde (zelfs vergulde) schaakstukken. De meer representatieve exemplaren bevatten o
258 het aantal velden op het schaakbord. Na de inleiding zijn deze bladen gevuld met een verzameling van 103 schaakproblemen (fol. 5-64). Het betreft
259 van het speelvlak te plaatsen, zodat er voldoende ruimte is voor een breed scala aan gebaren buiten het bord. Daarbij hebben de spelers de functi
260 Cappella Palatina in Palermo en een vergelijkbaar Arabisch model lijkt de inspiratiebron te zijn geweest voor deze schaakscène tussen koning en d
261 Een westerse schaakgroep: spel en wijn De cyclus van schaakminiaturen in Alfonso’s codex opent echter met een groep van het westerse type: Spaan
262 beproeft, en het ervoor benodigde spelmateriaal.835 Hierna volgt de beschrijving van een twaalftal spelvormen en enkele varianten, geïllustreerd
263 Het lijkt mij heel goed mogelijk dat Alfonso’s kunstenaars voor deze tablas-afbeeldingen een standaardmodel ter beschikking hadden, dat in een ou
264 speler, een oudere heer met hoofddeksel, werpt twee dobbelstenen op en zijn jongere opponent verschuift een speelsteen.839 Een iets later handsc
55 Als laatste verso-zijde van het katern heeft het blad zwaar te lijden gehad: het is erg vies en vlekkerig, met vette vingerafdrukken links aan de
265 beoefend en bezongen, het edele schaakspel geleerd en triktrak gespeeld. De eerste Europese teksten over het schaakspel zijn door monniken in klo
266 en een wijnschenker (met staf), een bijfiguur die in alle spelminiaturen van de Codex Buranus optreedt. De Buraanse spelminiaturen: lering en v
267 speelse wijze de culturele ambities van een geestelijk én adellijke elite te verbeelden. Het wereldlijke uiterlijk van de spelers past zowel bij
268 aan de rechterzijde van het bord vormt een terugkerend element op spelcomposities uit Noord-Italië. Dit kenmerkende zetgebaar zagen we eerder op
269 miniaturen in de Codex Buranus, die wel vaker de vroegst bekende beeldbron vormen voor een bepaald middeleeuws thema of motief dat pas later een
270
271 HOOFDSTUK VIJF SYNTHESE: DE BEELDCYCLUS IN CONTEXT De woord-beeld relatie in de Carmina Burana Woord-beeld samengevat Het originele bestand
272 inhoudelijke zwaartepunten van de lyriekverzameling. Binnen deze thematische groepen staan de liederen, verzen en afbeeldingen als onafhankelijke
273 liederen en liedgroepen toepasbaar. Zo vertegenwoordigen de koningen op Foruna’s rad de mens, niet enkel als machthebber maar ook als dichter, mi
274 In tegenstelling tot deze klassieke thema’s kende de uitbeelding van de lentenatuur geen traditie als zelfstandige voorstelling. De bladvullende
56 De bomen De sterk gestileerde bomen zijn voornamelijk in bruine inkt opgezet, soms in rood of met rode details. In het bovenste woud is het blader
275 toegankelijk gemaakt en in beeld gebracht. Het liefdespaar met bloemen lijkt afkomstig uit de eigentijdse kalendertraditie; in aristocratische pr
276 oordeel geveld. De reden voor de opname van dit thema is niet waarschuwen voor excessieve liefde en de doodzonde van zelfmoord, maar interesse in
277 Als geheel accentueert het ‘beeldprogramma’ de wereldlijke inhoud van de lyriekverzameling. De liederen richten zich op deze wereld, zo verkondig
278 een religieus zangboek voor ogen, te gebruiken in dezelfde kring van geestelijk hof en school, maar bij een andere gelegenheid. Het resultaat is
279 drinkers gevolgd door dobbelaars in een herberg. De ongewone lenteminiatuur en drinkersparodie zijn vermoedelijk eigen creaties van de kunstenaar
280 In de beeldkeuze van de Carmina Burana herkennen we ditzelfde imago van de litteratus: door zijn afkomst ver verheven boven de zwoegende rusticu
281 ten, maar wordt ook gevolgd door de kunsthistorici P. en D. Diemer, die wezen op de contemporaine muurschilderkunst in Brixen en de profane Iwein
282 het Augustijner koorherenstift St.Florian (diocese Passau), naast gotische heersersportretten in gewassen pentekening. Ook hier zijn initiaal en
283 monnik op zijn sterfbed (met een bede om zieleheil). De panelen zijn afwisselend ingekleurd, boven groen-in-blauw en onder blauw-in-groen, zonder
284 waardoor de figuren meer reliëf krijgen en zich losmaken van het achtergrondvlak.854 De vloeiende modellering van de gewaadplooien kan wijzen op
57 De vogels Het bovenste landschap wordt enkel bevolkt door vogels, die opvallen door hun bonte kleuren. Ze zijn over het algemeen getekend met brui
285 bijvoorbeeld bij de tweezonige Artes-schilderingen in de Historia Scholastica uit Scheyern (c.1230-40), met figuren tegen blauw-groene achtergron
286 grondschildering van de Italiaanse bijbels vond kort daarna echter wel toepassing in de ‘bijbelse’ beeldcyclus van het even monumentale Antiphona
287 palet van groen-blauw-rose, zoals de Buraanse drinkersminiatuur. De verhalende friezen van de zijwanden laten een verdere onderverdeling van het
288 een model voor Fortuna’s majestueuze zithouding en strenge blik, evenals de uiterst verfijnde vormge-ving van haar opgeheven rechterhand (afb. 14
289 de kleding en het mannenkapsel uit meerdere gebolde lagen.871 Dit meerlagige kapsel komt overigens ook al voor bij de mannelijke zodiac-figuren i
290 Elisabeth Klemm heeft in haar bespreking van de Carmina Burana de aandacht gevestigd op de connecties met de kunst van Italië. De Italiaanse insl
291 gesticht. Na de overname van het complex door de Duitse ridderorde (sinds 1213 in Friesach) werd het interieur van de kerk overgeschilderd in een
292 In de eerste helft van de 13e eeuw vinden we deze massieve Salzburgse stijl ook in Brixen/Bressanone (Zuid-Tirol), waar aartsbisschop Eberhard II
293 vermoedelijk te verklaren vanuit een gemeenschappelijke basis in de Salzburgse school, de dominante westers-hoofse mode-idealen van de tijd en de
294 van Hocheppan, waar het rijpaard van de hoofse ruiter grotendeels is weggevaagd maar de ranke windhonden en het sierlijk omkijkende hert behouden
58 middenvlak de atmosferische achtergrond van het tafereel. De heuvels (met bomen) boven en de bomen beneden bevinden zich op de voorgrond en het vo
295 Historia Scholastica (c.1230-40) en daarna in een meer westerse vormgeving in de Glossarium-codex uit 1241, die verder alleen maar pentekeningen
296 wetenschappers bij de drie clerici aan hun voeten.889 Voor de plastisch-soepele gewaadstijl van deze meer klassiek geklede geleerden vinden we op
297 Gregorius IX’, uitgevaardigd in 1234, en wel als titelafbeelding bij boek 4: De sponsalibus. Deze officiële teksten voor het kerkelijk recht werd
298 Carmina Burana, de befaamde Carmina Cantabrigiensia, een zeer diverse verzameling van geestelijk en wereldlijk liedrepertoire, waaronder lofdicht
299 figuren eromheen. Deze rijsplit vergroot niet alleen de bewegingsvrijheid bij het paardrijden en lopen, maar biedt de mannen ook gelegenheid hun
300 13e-eeuwse epencycli van de Eneide (c.1230), de Tristan en Parzival (c.1240-50) dragen de meeste mannen geheel zwarte beenlingen, sommigen bruin
301 Ook op de schaakminiatuur lijkt sprake van een instructie-situatie, gepaard aan een rang- en leeftijdsverschil tussen beide spelers, dit in tegen
302 Deze heilige maagd staat echter geheel frontaal en houdt een bloemvormige kruisstaf als attribuut in de hand. Onder haar opgeheven arm is een vle
303 De ‘klassieke’ Fortuna De meest traditionele vrouwenfiguur uit de Carmina Burana is de allegorische Fortuna, die zich nog enigszins laat invoegen
304 voltrekt zich in middeleeuwse aankleding en de vorstelijk getooide hoofdpersonen, Dido en Eneas, ogen in kleding en uiterlijk (en deels in hun ho
59 zijn onderlinge vergelijkingen beter mogelijk. Met name de weergave van de menselijke figuur komt tot in details sterk overeen: de houdingen van d
305 komt overeen met het omgorde kleed van Dido, voorzien van manchetten met eenzelfde parelrand-ornament als in de Carmina Burana. Alleen Judith is
306 en de Saksische Willehalm (beide c.1270-75) is het Gebende een vanzelfsprekend attribuut voor hoofse dames geworden. De jonge meisjes sieren zich
307 echtpaar van Rein en de adellijke stichter van de (mogelijk uit Seckau afkomstige) Weense Genesis. Ook bij de tronende Artes uit Scheyern lijkt e
308 zien. Daar zij geen verhullende mantel dragen gaat alle aandacht naar de nauw aansluitende modieuze gewaden, die hun jeugdige lichaamsvormen acce
309 beslagplaten (c.1250). De ceintuur was beslagen met maar liefst 36 sierstaafjes, waarvan er twee voorzien zijn van gordelogen om een beurs of tas
310 haar zeer smalle gordel valt eveneens langs het been naar beneden. Op de voorstelling van het hoofse liefdespaar heeft de jongeman eenzelfde riem
311 gedaante van hoofs geklede jongelingen. De Romeinse ependichter Ennius draagt een nauwgesneden bovenkleed van kostbare zijde (met ingeweven rozet
312 van hun kleed is zo doorzichtig, dat ondergoed en zwarte beenlingen door de rok heenschijnen. De dichter Dietmar von Aist is voorgesteld als een
313 plooien afhangend tot de uitwaaiering rond de voeten. Wat wel overeenkomt is het accent op het middel, de slanke contouren en de vloeiend vallend
314 De kledingstijl van de Carmina Burana past in het algemene beeld van de matiging van de extreme snitvormen en opsmuk na 1200, wanneer de brede si
60 miniatuur mede kan hebben bepaald. In ieder geval lijkt hier sprake van een nauwe samenhang tussen het ongewone beeldformaat van de miniatuur en d
315 de Byzantijnse prinses Theophanu (972) vinden we deze sierboorden, inclusief de ‘mouwbanden’ ook in het vorstelijk ornaat van de Duitse keizers,
316 baardige ‘Byzantijnen’ met een brede brokaatband om de mouw.978 Maar het is vooral in het Mediterrane gebied, in Venetië, aan het Staufenhof in Z
317 Ancienne (c.1275), daarna gaat de Frans-gotische importstijl domineren in de beeldcyclus waarin ook het Dido-verhaal is opgenomen.984 Het gebrui
318 draaiwerk) en rijkgedecoreerde bankzetels met een comfortabel kussen. In vormgeving en ornamenta-tie volgen deze objecten en meubelstukken de sta
319 Een geestelijk hof: tussen Salzburg en Venetië De voorwaarden voor de boven geschetste clericale hof- en schoolcultuur zijn in meerdere centra i
320 arme standsgenoten ontvangen zijn donaties: in de rechtenstad Bologna twee vagi uit Zwaben, een student uit Aquileia en een clericus uit Saksen.
321 opdrachtgever van het Nibelungenlied te verbinden. Ze verbeelden een nog onopgehelderd heldenverhaal, vermoedelijk een kruisvaardersroman, helden
322 onder zijn supervisie van tekstverklarende illustraties in de marge voorzien. Dit type marge-illustraties in pentekening is heel gebruikelijk in
323 AFBEELDINGEN
324 1. Codex Buranus, fol. 1r: Rad van Fortuna
61 beheerst. Doordat Fortuna temidden van haar rad troont, vertrapt zij in zekere zin ook haar slachtoffer: de ongelukkige onder het rad bevindt zich
325 2. Codex Buranus, fol. 77v: Dido en Eneas
326 3. Codex Buranus, fol. 64v: Lentelandschap
327 4. Codex Buranus, fol. 72v: Liefdespaar
328 5. Codex Buranus, fol. 89v: Wijndrinkers
329 6. Codex Buranus, fol. 91r: Dobbelaars
330 7. Codex Buranus, fol. 91v: Triktrak of tafelspel
331 8. Codex Buranus, fol. 92r: Schaak
332 9. Codex Buranus, fol. 39r: Marge-illustratie bij ‘Phyllis en Flora’
333 10. Initialen met rankwerk (fleuronnée)
334 11. Idem, titel ‘De Vere’ (63r) en V met jongenskop (64r)
62 linkerbeen over de horizontale spaak van het wiel geslagen, terwijl hij met zijn linkerhand het podium van de troon grijpt en met zijn rechterhand
335 12. Initialen met ingetekende gezichten
336 13. Reconstructie Fortuna-bladen: fol. 48v-1r
337 14. Plaatsing van de miniaturen binnen de katernen
338 15. Kaart: Oostenrijk 976-1526
339 LIJST VAN AFBEELDINGEN De Carmina Burana 1-13: Codex Buranus: München, Bayerische Staatsbibliothek, Clm 4660 1. Codex Buranus, fol. 1r: Rad v
340 23. Flavius Josephus, Bellum Iudaicum: titelafbeelding (Scheyern, tegen 1240); München BSB Clm 17404, fol. 203v: belegering van Jeruzalem en Rad
341 50. Hooglied-commentaar van Rupert van Deutz (derde kwart 12e eeuw); Göttweig, Stiftsbibl. Cod.49, fol. 2r: dedicatie-afbeelding (Ratisbona sacra
342 80. Een amoureus hertenpaar in de marge van het ‘Delisle Psalter’ (East Anglia, c.1308); Londen BL Arundel 83, fol. 14r: onder psalm 1 (Randall 1
343 103. Blad met penneschetsen uit Göttweig (eind 12e eeuw): initiaal D, palmet, dierfiguren (leeuw, hond/haas, aanzet van roofvogel) en een jonge w
344 126. Vloermozaïek van Piacenza (laat 12e eeuw): schaakpartij; zie boven: afb. 107/108 (Kluge-Pinsker 1991, omslagafbeelding) 127. Kathedraal van
63 de kuitlijn van de onderbenen, de palm en rug van de handen, de plooien van de hals, de schaduw onder de kin, de welvingen van voorhoofd, neus, wa
345 152. De Ywain-cyclus in kasteel Rodenegg, bij Brixen (tweede kwart 13e eeuw): treurende koningin Laudina bij de begrafenis van haar man Askalon (
346
347 BIBLIOGRAFIE Afkortingen CB: Carmina Burana HV: LMA: J.M. Plotzek, Lexikon des Mittelalters 2, München/Zürich 1983 Londen BM: Londen, Britisch
348 Overige literatuur 400 Jahre 1958: 400 Jahre Bayerische Staatsbibliothek, München 1958 (tent. München, Bayerische Staatsbibliothek) Adhémar 1936
349 Beatie 1967: B. Beatie, ‘Macaronic Poetry in the Carmina Burana’, Vivarium 5 (1967), 16-24 Bechmann 1991: R. Bechmann, Villard de Honnecourt. La
350 Boeckler 1949: A. Boeckler, Kunst des frühen Mittelalters, tent.cat. Bern 1949 Boeckler 1950: A. Boeckler, Ars Sacra. Kunst des frühen Mittelalt
351 Buschor 1958: E. Buschor (ed./vert.), Carmina Burana. Benediktbeurer Lieder, lateinisch und deutsch, Wiesbaden 1958 Byzance 1993: D. Albcouffe e.
352 Deutsche Literatur 2003: U. Montag (red.), Deutsche Literatur des Mittelalters. Handschriften aus dem Bestand der Bayerischen Staatsbibliothek Mü
353 Erdmann 1950-2: K. Erdmann, ‘Die universalgeschichtliche Stellung der sasanidischen Kunst’, Saeculum 1 (1950) 508-34 Eschenburg 1987: B. Eschenbu
354 Gamer 1969: H.M. Gamer, ‘Der ‘Ruodlieb’ und die Tradition’, in: K. Langosch (ed.), Mittellateini-sche Dichtung, Darmstadt 1969, 284-329 Ganzenmül
64 is het contrast tussen de verfijnde modellering van het gezicht en de robuustheid van de vlak weergegeven kroon erg groot. De troon De in zij-aa
355 Hauke 1991: H. Hauke, ‘Die Bedeutung der Säkularisation für die bayerischen Bibliotheken’, in Glanz und Ende 1991, 187-97 Haustein 1990: J. Haus
356 Irtenkauf 1956: W. Irtenkauf, ‘Das Seckauer Cantionarium vom Jahre 1345 (Hs. Graz 756), Archiv für Musikwissenschaft 13 (1956), 116-41 Irtenkauf
357 Klemm 1980: E. Klemm, Die romanischen Handschriften der Bayerischen Staatsbibliothek, 1: Die Bistümer Regensburg, Passau und Salzburg (Katalog de
358 Kuenringer 1981: Herwig Wolfram, Karl Brunner, Gottfried Stangler, Die Kuenringer. Das Werden des Landes Niederösterreich, Wenen 1981 (tent. Stif
359 Mâle 1922: E. Mâle, L‟art religieux du XIIe siècle en France, Paris 1922 Mâle 1972: E. Mâle, The Gothic Image. Religious art in France of the thi
360 Müller 1980: U. Müller, ‘Beobachtungen zu den ‘Carmina Burana’: 1. Eine Melodie zur Vaganten-Strophe - 2. Walthers ‘Palästina-Lied’ in ‘versoffen
361 Patch 1927: H.R. Patch, The goddess Fortuna in mediaeval literature, Cambridge, Mass. 1927 (1967) Pearsall/Salter 1965: D. Pearsall, E. Salter, L
362 Rome 1996: Vedere i Classici, red. M. Buonocore, tent.cat. Rome: Biblioteca Apostolica Vaticana, 1996 Rosenthal 1972: E. Rosenthal, The illuminat
363 Schmidt 1987: G. Schmidt, recensie van tent.cat. Regensburg 1987, in: Kunstchronik 40 (1987) 503-12 Schmidtke 1968: D. Schmidtke, Geistliche Tier
364 Spanke 1931b: H. Spanke, ‘Der Codex Buranus als Liederbuch’, Zeitschrift für Musikwissenschaft 13 (1931), 241-51 Spanke 1943: H. Spanke, recensie
65 verwoesting van Troje en is met een vloot onderweg naar Latium (om daar Rome te stichten), als hij schipbreuk lijdt voor de kust van Noord-Afrika
365 Tigler 1995: G. Tigler e.a., Le sculture esterne di San Marco, Milano 1995 Timmers 1978: J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie, H
366 Walworth 2000: J. Walworth, ‘Earthly Delights: the pictorial images of the Carmina Burana manuscript’, in: CB-essays 2000, 71-83 Warner 1912: G.
367 Zahlten 1979: J. Zahlten, Creatio mundi. Darstellungen der sechs Schöpfungstage und naturwissenschaftliches Weltbild im Mittelalter, Stuttgart 19
368
369 SUMMARY A SONG FOR EACH SEASON - PICTURING THE CARMINA BURANA This thesis focuses on the miniatures in the Codex Buranus, the manuscript which
370 the codex was found. It may be due to a last stroke of fortune that Carl Orff, the composer who made thr Carmina Burana world famous, was laid to
371 CURRICULUM VITAE Cornelia Johanna Maria (Lia) Couwenberg werd geboren op 20 april 1955 te Waalwijk. Na het behalen van haar M.M.S. diploma in 1
372 Copyright: C.J.M. Couwenberg, 2011
66 3. Het dramatische hoogtepunt van het verhaal vindt plaats in het centrum van het beeldvlak, voor een robuuste centrale vestingtoren met kantelen.
67 Compositie van de dubbel-afbeelding Het beeldverhaal van Dido en Aeneas is evenals het Lentelandschap in twee registers opgezet. De scheiding tuss
68 Dido’s zuster Anna draagt een groene mantel, een lichtgeel kleed en op het hoofd een Gebende, de hoofddracht van de vrouw van stand in de 13e eeuw
69 borstwering voor de vorstelijke loggia van Dido krijgt accent door donkergroene inkleuring. De openstaande torendeur rechts heeft groene arceringe
7 WOORD VOORAF Het werken aan dit proefschrift was een lang en eenzaam project, maar nu is het af! Dat zou nooit gelukt zijn zonder de morele, mat
70 De voorstelling Een goedgeklede jongeman biedt een lieftallig meisje bloemen aan. De schone jongeling reikt zijn beminde het boeket aan met de rec
71 Kleding en plooival Het meisje draagt een groen kleed met gedecoreerde sierboorden langs de ronde hals en aan de smalle mouwen, zowel rond de bov
72 liefdespaar op een bank, naar analogie van de spelers. Blijkbaar beschikte men over een toepasselijk en aantrekkelijk model van een staand liefdes
73 opgedeeld, met dezelfde achtergrondkleuren als de Fortuna-miniatuur. Het beeldvlak heeft een groen-blauwe omkadering, waarvan de blauwe binnenrand
74 plooien van het bovenlijf in een punt op hun middel en daarna in symmetrische lusplooien naar weerskanten opzij. Bij de linkse van de twee gaat de
75 Het spel Beide groepen spelen een spel met drie dobbelstenen, waarbij elke speler zijn eigen stenen gebruikt. De tafelbladen zijn omhooggeklapt z
76 Het staande personeel Tussen de twee tafels zijn twee staande mannen rug-aan-rug afgebeeld, als een bijna symmetrisch paar. De linkse man richt zi
77 Lijst en kader De miniatuur heeft de gebruikelijke randlijst en groen-omkaderde blauwe achtergrond (met wit scheidingslijntje). De randlijst heeft
78 compositie van de afbeelding. De bovenlijn van de omlijsting valt samen met de laatste regel van de tekst erboven, de volgende lijn met de scheidi
79 schijfvormige speelstenen in twee kleuren: getekend met rood en met zwart. De linkse speler, die aan zet is, speelt met de rode partij, de rechtse
80 De kleding Beide spelers dragen een lange tuniek met een split van voren, siermanchetten en een sierrand rond de voorste bovenarm. De sierbanden
81 zoals onder het triktrakbord op de andere bladzijde, maar foutief en slordig met groen. Mogelijk is dit onderste gedeelte van deze laatste miniatu
82 houden beide voeten naar voren gericht. Met deze overeenkomende zithouding contrasteren de verschillen in houding en aanzicht van hun bovenste lic
83 op de kuit af in puntzakplooien afgesloten door een gladde vouwplooi. Het bovenstuk valt in symmetrische lusplooien over de gladde gordel. De bo
84 afbeelding een volledige bladzijde ter beschikking en hoefde geen rekening te houden met reeds aanwezige tekst. De miniaturen verschillen van elk
85 vooral goed te zien bij de weergave van de gezichten: vergelijk bijvoorbeeld de zachte modellering van het gezicht van Fortuna met de meer lineair
86 dichter bij haar traditionele figuurtype gebleven, al is wel haar mantel en de plooival van haar kleding ‘gemoderniseerd’. Als allegorische figuur
87 met groen zijn aangezet, is opgebouwd uit elementen die terugkeren in de grote ‘composietboom’: de stengel met omkrullende palmetbladeren en rozet
88 Schumann zou h1 dan naast schrijver, corrector en rubricator ook de illuminator van de codex zijn geweest. Bischoff ging in zijn inleiding bij de
89 en bij de lettervormen met ingetekende gezichten (afb. 12). De letter V van Vere op fol. 63v is een ware composietvorm van diverse soorten ranken
9 INLEIDING ‘O Fortuna!’ Wie kent niet de Carmina Burana van Carl Orff (1937), een van de meest uitgevoerde muziekstukken ter wereld. Veel minder b
90 lijn, schematisch en eenvormig van opzet, hebben ronde gelaatstrekken en een grote neus. De meer verfijnde gezichten van de miniaturen zijn hoekig
91 De decoratieve ranken en gezichten zijn moeilijk te vergelijken met overeenkomstige motieven in de miniaturen door hun verschil in functie, formaa
92 onder Fortuna draagt een bescheiden rankenornament, maar is door zijn uitstekende positie wel vormbepalend voor de omlijsting van het beeldveld.18
93 kleed en afhangende gordelriem. Zij draagt het haar wel gevlochten en toont zonder mantel haar ranke meisjeslichaam. Een eeuw later is de figuurst
94
95 HOOFDSTUK DRIE DE RELATIE WOORD - BEELD IN DE CARMINA BURANA In dit deel van mijn proefschrift staat de plaats en functie van de miniaturen binn
96 De vier thematische afdelingen 1. De gedichten met moreel-satirische inhoud De eerste afdeling bestaat uit 55 gedichten met moreel-satirische i
97 ieder geval verloren gegaan: het laatste deel van CB 92, het begin van het gewiste liefdeslied en het slot van CB 96 dat onderaan fol. 49v afbreek
98 Benediktbeurer Weihnachtsspiel (CB 227-228). Het Kerstspel CB 227, op fol. 99-104, wordt (na een lacune van 14 regels) gevolgd door het fragmentar
99 fulminante) sluiten inhoudelijk tevens aan bij de Rome- en hofkritiek van CB 187, 189, die oorspron-kelijk ook als één groep Rome-satires direct o
Kommentare zu diesen Handbüchern